ECLI:NL:GHAMS:2002:AF3801

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 september 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
23-003579-01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Den Ottolander
  • Haentjens
  • Van Daalen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 24 SrArt. 33 SrArt. 33a Sr
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor invoer van bijna twaalf kilo cocaïne op Schiphol

Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 16 september 2002 het vonnis van de rechtbank Haarlem vernietigd en in hoger beroep de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren wegens het opzettelijk invoeren van ongeveer 11.905 gram cocaïne op 4 juli 2001 te Schiphol.

De rechtbank had verdachte eerder veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf en verbeurdverklaring van 1.341 US-dollar. Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de cocaïne binnen Nederland heeft gebracht, maar sprak hem vrij van overige tenlasteleggingen die niet bewezen konden worden.

Het hof motiveerde de straf door de grote hoeveelheid cocaïne, het oogmerk van financiële winst en de maatschappelijke impact van handel in verdovende middelen. Daarnaast werd het inbeslaggenomen geld verbeurd verklaard omdat dit geld werd gebruikt bij het plegen of voorbereiden van het strafbare feit.

De tijd in voorlopige hechtenis wordt in mindering gebracht op de opgelegde straf. Verder werd een fotorolletje aan verdachte teruggegeven. Het arrest werd gewezen door de tweede meervoudige strafkamer van het hof, bestaande uit drie rechters.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf voor het opzettelijk invoeren van circa 11,9 kilo cocaïne.

Uitspraak

arrestnummer
rolnummer 23-003579-01
datum uitspraak 16 september 2002
tegenspraak
Verkort arrest van het Gerechtshof te Amsterdam
gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen
het vonnis van de arrondissementsrechtbank
te Haarlem van 16 oktober 2001
in de strafzaak onder parketnummer 15/031039-01
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats], Venezuela, op 8 november 1970,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Lelystad te Lelystad.
Het onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 2 oktober 2001 en in hoger beroep van 2 september 2002.
Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.
De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van de dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het zich daarmee niet verenigt.
De bewijslevering
Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is ten laste gelegd, met dien verstande dat hij
op 4 juli 2001 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 11905,1 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
De strafbaarheid van het feit
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder A, van de Opiumwet, gegeven verbod.
De strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.
De op te leggen straffen
De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en heeft voorts inbeslaggenomen geld, te weten 1341 US-dollar verbeurd verklaard.
Verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep doen instellen.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd verdachte te veroordelen tot dezelfde straf als de rechtbank heeft opgelegd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de invoer van bijna twaalf kilo cocaïne. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze kennelijk bestemd was voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele vormen van criminaliteit en is daarmee ook bezwarend voor de samenleving. Kennelijk heeft de verdachte zich laten leiden door het oogmerk van financieel gewin ten koste van anderen.
Gelet op het bovenvermelde acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren passend en geboden.
Voorts is het hof van oordeel dat het inbeslaggenomen geld, te weten 1.341 US-dollar, dient te worden verbeurd verklaard nu het hof is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met behulp van dit geld is begaan of voorbereid.
De toepasselijke wettelijke voorschriften
De opgelegde straffen zijn gegrond op de artikelen 24, 33 en 33a van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
De beslissing
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.
Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd
van VIER JAREN.
Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.
en voorts
Verklaart verbeurd: geld, te weten: 1341 US-dollar.
Gelast de teruggave aan verdachte van: 1 fotorol, merk Kodak.
Dit arrest is gewezen door de tweede meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Den Ottolander, Haentjens en Van Daalen, in tegenwoordigheid van mr. Visser als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 september 2002.