ECLI:NL:GHAMS:2002:AF3013
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Van Loon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrek buitengewone lasten voor levensonderhoud dochter met lijfrentepremie
Belanghebbende heeft in 1999 een bedrag van ƒ 6.000 aan zijn dochter overgemaakt en dit als aftrekpost voor buitengewone lasten opgevoerd in zijn aangifte inkomstenbelasting. De dochter betaalde in datzelfde jaar een lijfrentepremie van ƒ 6.075. Het Hof beoordeelt of belanghebbende zich redelijkerwijs gedrongen kon voelen om deze bijdrage te leveren ter voorziening in het levensonderhoud van zijn dochter.
De dochter, een 35-jarige actrice met een kind, had een belastbaar inkomen van ƒ 47.327 en een netto besteedbaar inkomen van ƒ 36.353 in 1999. Daarnaast betaalde zij een lijfrentepremie, wat het Hof kwalificeert als vermogensvorming en niet als uitgaven voor levensonderhoud. Ondersteuning die leidt tot sparen of vermogensvorming valt niet onder aftrekbare buitengewone lasten.
Het Hof volgt de jurisprudentie (HR 26 mei 1954, BNB 1954/238) en concludeert dat belanghebbende zich niet gedrongen kan voelen om de bijdrage te leveren. De inspecteur heeft de aanslag gehandhaafd en het beroep van belanghebbende is ongegrond verklaard. Er worden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aftrek van ƒ 6.000 als buitengewone last wordt afgewezen.