ECLI:NL:GHAMS:2002:AE5684
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Van der Ouderaa
- Rechtspraak.nl
Beperking aftrek invorderingsrente bij navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1998
Belanghebbende, een caféhouder, was het niet eens met de door de inspecteur opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1998. De discussie betrof vooral de aftrek van invorderingsrente die door haar echtgenoot was betaald. De inspecteur had de aftrek van deze rente beperkt tot ƒ 15.000, terwijl belanghebbende een hogere aftrek nastreefde.
Het hof stelde vast dat de invorderingsrente betrekking had op belastingschulden die reeds in eerdere jaren waren vastgesteld en betwist, maar dat de beperking van de aftrek van rente zoals opgenomen in artikel 45, vierde lid, Wet IB 1964, ook op invorderingsrente van toepassing is, behoudens enkele uitzonderingen die hier niet van toepassing waren. Het overgangsrecht van de Wet van 13 december 1996 maakte een beperkte aanpassing, maar bood geen grondslag voor een onbeperkte aftrek van invorderingsrente die was opgebouwd tot en met 1996.
Belanghebbende stelde dat de beperking onredelijk was en dat invorderingsrente niet gelijkgesteld kon worden met consumptieve rente, maar het hof verwierp deze argumenten. Ook het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel bood geen soelaas, aangezien de nieuwe regeling onmiddellijke werking heeft en alleen betrekking heeft op de materiële belastingschuld na invoering van de wet.
Het hof verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat de aftrek van invorderingsrente terecht was beperkt tot ƒ 15.000. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken vanwege het ontbreken van bijzondere omstandigheden.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de beperking van de aftrek van invorderingsrente tot ƒ 15.000 wordt ongegrond verklaard.