ECLI:NL:GHAMS:2002:AE0334
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Dutmer
- Onnes
- Goes
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortzettingseis bij inbreng onderneming en naheffingsaanslag overdrachtsbelasting
Belanghebbende bracht in 1996 haar melkveehouderijonderneming in een besloten vennootschap in, met een beroep op de vrijstelling van overdrachtsbelasting op grond van artikel 15, lid 1, onderdeel e, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer. De onderneming werd echter in het najaar van 1998 beëindigd, waarna de onroerende zaken, het vee en het melkquotum werden verkocht.
De inspecteur legde een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op omdat de onderneming niet gedurende ten minste drie jaren na de inbreng werd voortgezet, zoals vereist in artikel 5, vierde lid, van het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer. Belanghebbende voerde aan dat deze voortzettingseis buiten de delegatiebevoegdheid van de besluitgever valt en strijdig is met het vertrouwensbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel.
Het Hof oordeelde dat de besluitgever niet buiten zijn bevoegdheid is getreden met de voortzettingseis, die is bedoeld om oneigenlijk gebruik van de vrijstelling te voorkomen. Verder stelde het Hof dat de regeling van artikel 15 van Pro de Wet en de geruisloze omzetting van artikel 18 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964 verschillende regelingen zijn, zodat jurisprudentie en besluiten over laatstgenoemde regeling niet rechtstreeks van toepassing zijn. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat de staatssecretaris als medewetgever geen uitvoeringshandelingen verrichtte.
Het Hof verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de naheffingsaanslag. Er werden geen proceskosten aan partijen opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vennootschap wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting bevestigd.