ECLI:NL:GHAMS:2002:AD9763
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Dutmer
- Kostense
- Kooijman
- Rechtspraak.nl
Toepassing tabeltarief op bonus als bindingspremie bij aandelenovername
Belanghebbende, werkzaam als manager bij F B.V., ontving in 1998 een bonus van ƒ 120.000 in het kader van de overname van de aandelen van haar werkgever. De bonus werd door de directie omschreven als een premie om belanghebbende als onvervangbare werknemer aan de onderneming te binden en te voorkomen dat zij de onderneming zou verlaten.
Belanghebbende stelde dat de bonus moest worden belast tegen het bijzondere tarief van artikel 57, tweede lid, Wet IB 1964, omdat het een verhinderingspremie was of een vergoeding voor gederfde inkomsten. Het hof oordeelde dat uit de brief van de werkgever blijkt dat de bonus primair bedoeld was om belanghebbende te binden aan de onderneming en niet om haar te beletten elders werkzaamheden te verrichten, zodat artikel 31, tweede lid, Wet IB niet van toepassing is.
Voorts stelde belanghebbende subsidiair dat de bonus een compensatie was voor gederfde inkomsten, maar zij kon niet aannemelijk maken dat er een concreet recht op die inkomsten bestond. De brief van een derde partij uit 2001 was niet toereikend bewijs. Het hof bevestigde daarom de aanslag waarbij de bonus volledig tegen het tabeltarief werd belast.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten toegekend. De uitspraak werd op 12 februari 2002 door het hof gedaan.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de bonus wordt belast tegen het tabeltarief.