ECLI:NL:GHAMS:2002:AD8845
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Onnes
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van pensioenvrijstelling en latente belasting bij echtgenotenvrijstelling in successierecht
Belanghebbende, echtgenote van de overleden erflater B, maakte bezwaar tegen de aanslag successierecht die was berekend over haar verkrijging uit de nalatenschap. De aanslag was gebaseerd op een verkrijging van ƒ 221.093, waarvan ƒ 165.071 was vrijgesteld. Belanghebbende stelde dat de vrijstelling verhoogd moest worden tot ƒ 192.959 na pensioenimputatie.
Het geschil betrof de wijze van berekening van de vermindering van de echtgenotenvrijstelling met betrekking tot de pensioenvrijstelling en de latente inkomstenbelasting. Het hof verwees naar artikel 32 van Pro de Successiewet en artikel 20 van Pro de Wet, waarin is bepaald dat cumulatie van kapitaalvrijstelling en pensioenvrijstelling wordt voorkomen door een imputatieregeling, waarbij rekening wordt gehouden met een latente belasting van 30%.
Het hof stelde vast dat de latente belasting slechts mag worden berekend over het verschil tussen de echtgenotenvrijstelling en de minimumvrijstelling na imputatie, en niet over de volledige waarde van het pensioenrecht. Hierdoor is de berekening van de inspecteur juist en moet het beroep ongegrond worden verklaard.
De proceskosten werden niet aan belanghebbende opgelegd vanwege het ontbreken van bijzondere omstandigheden. Het hof verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de aanslag successierecht zoals vastgesteld door de inspecteur.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag successierecht wordt bevestigd.