2. De gronden van de beslissing
2.1 De rechtbank heeft het verzoek van B. tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van hem afgewezen, omdat een eerder verzoek van B. tot toepassing van de schuldsaneringsregeling bij onherroepelijk vonnis van de arrondissementsrechtbank Amsterdam van 9 april 2001 (rekestnummer 216702/FT-RK 01.315) reeds is afgewezen omdat een schuld bij de Sociale Dienst niet te goeder trouw is ontstaan. Het is de rechtbank ambtshalve gebleken dat tegen de uitspraak van 9 april 2001 binnen de wettelijke beroepstermijn van acht dagen geen hoger beroep is ingesteld. Nu
niet is aangevoerd noch is gebleken dat er sedert de uitspraak van 9 april 2001 wijzigingen zijn opgetreden in de schuldenpositie van B. dan wel dat er anderszins sprake is van zodanige gewijzigde omstandigheden die tot een
andere beoordeling zouden moeten leiden, dient het verzoek van B. naar het oordeel van de rechtbank te worden afgewezen. De rechtbank voegt hier aan toe dat de in de uitspraak van 9 april 2001 gegeven afwijzingsgrond, te weten dat
de schuld van B. aan de Sociale Dienst niet te goeder trouw is ontstaan, onverkort geldt.
2.2 Vooropgesteld moet worden dat een eerder verzoek van B. tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling bij uitspraak van 9 april 2001 is afgewezen zonder dat tegen die uitspraak hoger beroep is ingesteld, zodat die beslissing onherroepelijk is geworden. In een geval als het onderhavige, waarin (zeer) kort nadien - namelijk op 23 mei 2001 - een hernieuwd verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is ingediend, zal het nieuwe verzoek in beginsel slechts voor toewijzing in aanmerking komen indien sprake is van gewijzigde omstandigheden van zodanige aard dat, alle omstandigheden in aanmerking genomen, er geen voldoende zwaarwegende redenen (meer) zijn om het verzoek (wederom) af te wijzen.
2.3 Het voorgaande kan anders zijn indien de verzoeker aannemelijk maakt dat hij om verschoonbare redenen de appeltermijn van die eerdere beslissing niet heeft kunnen benutten. Alsdan dient de rechter het hernieuwde verzoek in
volle omvang te beoordelen, zonder dat sprake hoeft te zijn van gewijzigde omstandigheden.
2.4 Ter terechtzitting in hoger beroep heeft B. verklaard dat hem na de sluiting van de behandeling van het verzoekschrift op 9 april 2001 is medegedeeld dat de rechtbank de volgende dag uitspraak zou doen. Toen hij de volgende dag op de rechtbank om de uitspraak heeft verzocht, heeft men hem te kennen gegeven dat de uitspraak nog op schrift moest worden gesteld. Na
ontvangst van de uitspraak per post enkele dagen nadien, heeft B. zich vervolgens tot het tolkenspreekuur van het Bureau voor Rechtshulp gewend om advies te vragen. Aangezien dat spreekuur slechts eenmaal per week wordt
gehouden, bleek dat de beroepstermijn op dat moment reeds was verstreken. B. heeft verklaard dat hij bij ontvangst van de schriftelijke uitspraak wel de mededeling heeft gelezen dat hij gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak het recht van hoger beroep heeft, maar hem was niet duidelijk wanneer die termijn inging. Het hof merkt nog op dat uit de uitspraak zoals op schrift gesteld voorts niet duidelijk is wanneer de uitspraak is gedaan; in de kop van de uitspraak staat als uitspraakdatum vermeld 9 april 2001, terwijl onderaan de uitspraak de datum van 10 april 2001 staat vermeld.
2.5 Naar het oordeel van het hof is op grond van het hiervoor onder 2.4 overwogene voldoende aannemelijk dat B. de appeltermijn van acht dagen niet heeft kunnen benutten. Het niet benutten van de mogelijkheid van hoger beroep
is naar het oordeel van het hof in het onderhavige geval verschoonbaar. Het hof komt dan ook aan een inhoudelijke behandeling toe.
2.6 Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts gebleken dat nadere therapie voor de gokverslaving van B. die verklaard heeft reeds negen maanden niet meer gegokt te hebben - kennelijk niet nodig is. Op financieel gebied wordt B. sinds maart 2000 begeleid door Crediam Financial Services. B. houdt zich goed aan de afspraken met Crediam en komt al zijn verplichtingen na.|
2.7 Ten aanzien van de schuld aan de Sociale Dienst overweegt het hof dat deze schuld, alhoewel niet te goeder trouw ontstaan, er niet aan in de weg staat B. alsnog toe te laten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De fraudeschuld is voor het overgrote deel bijna vijf jaar geleden ontstaan en de hiervoor opgelegde taakstraf is inmiddels uitgevoerd.
2.8 De ommekeer ten goede in het leven van B. en de, betrekkelijke, bestendigheid daarvan is voor het hof aanleiding om anders dan de rechtbank het verzoek van B. alsnog toe te wijzen.