ECLI:NL:GHAMS:2001:AE1404

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
22 november 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00/04258
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • Onnes
  • Boersma
  • Goes
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:10 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanvulling op aangifte is geen bezwaarschrift; vernietiging uitspraak inspecteur

Belanghebbende deed aangifte inkomstenbelasting 1999 en diende later een aanvulling in waarin hij aftrek van werkkamerkosten claimde. De inspecteur legde een aanslag op conform de oorspronkelijke aangifte zonder kennis van de aanvulling. Belanghebbende gaf geen tijdig bezwaar aan. Het hof oordeelt dat de aanvulling geen bezwaarschrift is volgens art. 6:10 Awb Pro, mede omdat de aanslag toen nog niet bestond.

De inspecteur nam de aanvulling ten onrechte als bezwaar in behandeling en deed uitspraak zonder geldig bezwaar. Ook een latere brief met inlichtingen is geen bezwaar en zou niet-ontvankelijk zijn wegens termijnoverschrijding. Het hof vernietigt de uitspraak van de inspecteur en veroordeelt hem tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Het hof benadrukt dat de inhoud en strekking van een brief bepalend zijn voor de kwalificatie als bezwaar, niet de interpretatie door de inspecteur. Belanghebbende had de aftrek opnieuw moeten aanvoeren na oplegging van de aanslag. De uitspraak werd op 22 november 2001 gedaan door het Gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: Het hof vernietigt de uitspraak van de inspecteur wegens het ontbreken van een geldig bezwaar en veroordeelt hem tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
Vijfde Meervoudige Belastingkamer
PROCES-VERBAAL
van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te P,
belanghebbende,
tegen
de uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen P, hierna de inspecteur, gedagtekend 29 november 2000, betreffende de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1999.
Het beroep is behandeld ter zitting van 8 november 2001.
Beslissing
Het Hof:
S verklaart het beroep gegrond;
S vernietigt de uitspraak van de inspecteur;
S gelast de Staat het betaalde griffierecht ad ƒ 60 aan belanghebbende te vergoeden;
S veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van ƒ 17 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te betalen.
Gronden
1.1. Belanghebbende heeft op 14 maart 2000 aangifte gedaan voor de inkomsten-belasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1999. Hij heeft deze aangifte aangevuld bij brief van 16 mei 2000, ter inspectie ingekomen op 18 mei 2000. In die aanvulling maakte hij alsnog aanspraak op aftrek van kosten van een werkkamer als kosten van vermogensbeheer.
1.2. Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen opgelegd met dagtekening 1 september 2000. De aanslag is opgelegd conform de oorspronkelijke aangifte. De ambtenaar die de aanslag regelde droeg op dat moment geen kennis van de onder 1.1 vermelde aanvulling. Belanghebbende heeft binnen de daarvoor gestelde termijn van zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet schriftelijk noch mondeling bij de inspecteur te kennen gegeven bezwaren te hebben tegen de aanslag.
1.3. Nadat de inspecteur alsnog kennis had genomen van de onder 1.1 vermelde brief verzocht hij belanghebbende op 13 november 2000 schriftelijk om nadere inlichtingen met betrekking tot de gevraagde aftrek. Belanghebbende heeft die inlichtingen verstrekt bij brief van 18 november 2000.
2.1. Het Hof is van oordeel dat de onder 1.1 vermelde brief van belanghebbende van 16 mei 2000, gelet op de inhoud en de strekking daarvan, niet kan worden aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de nadien opgelegde aanslag. Het betrof immers uitsluitend een aanvulling op de eerder ingediende aangifte. Het bepaalde in artikel 6:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht komt derhalve niet aan de orde. Overigens zou, indien wel sprake zou zijn geweest van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaarschrift, niet zijn voldaan aan de in die bepaling gestelde vereisten voor het achterwege blijven van niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar. Aannemelijk is immers dat ten tijde van de indiening van de zojuist bedoelde brief de aanslag nog niet tot stand was gekomen en belanghebbende evenmin redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was.
2.2. De omstandigheid dat de inspecteur de brief van belanghebbende van 16 mei 2000 als een bezwaarschrift in behandeling heeft genomen, kan er niet toe leiden dat die brief alsnog als een bezwaarschrift wordt aangemerkt. Daarvoor is immers alleen de inhoud en de strekking van die brief bepalend en niet de door de inspecteur daaraan gegeven kwalificatie.
2.3. De onder 1.3 vermelde brief van belanghebbende van 18 november 2000 kan naar het oordeel van het Hof evenmin worden aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de in geding zijnde aanslag. Die brief hield immers niet meer in dan een reactie op het verzoek van de inspecteur tot het verstrekken van inlichtingen. Overigens had, indien die brief niettemin als een bezwaarschrift zou zijn aan te merken, het bezwaar niet-ontvankelijk moeten worden verklaard wegens termijnoverschrijding. Belanghebbende heeft ter zitting geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij alsdan op het punt van de termijnoverschrijding in verzuim zou zijn geweest. Het uitblijven van een reactie van de inspecteur op de brief van belanghebbende van 16 mei 2000 kan niet als een zodanige omstandigheid worden aangemerkt. Nadat de aanslag was opgelegd conform de oorspronkelijke aangifte had het op de weg van belanghebbende gelegen, de door hem bij die brief gevraagde aftrek opnieuw bij de inspecteur aan de orde te stellen.
2.4. Uit het onder 2.1 tot en met 2.3 overwogene vloeit voort dat de bestreden uitspraak van de inspecteur niet is aan te merken als een uitspraak op een bezwaar.
Nu de inspecteur niettemin uitspraak heeft gedaan zonder dat er sprake is geweest van enig bezwaarschrift zal het Hof deze uitspraak vernietigen.
3. Uit het onder 2.4 overwogene vloeit voort, dat de inspecteur bij belanghebbende ten onrechte de indruk heeft gewekt dat hij tegen zijn uitspraak beroep kon instellen bij de belastingrechter. Op grond hiervan acht het Hof termen aanwezig de inspecteur te veroordelen tot het vergoeden van het door belanghebbende gestorte griffierecht, alsmede de inspecteur te veroordelen in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt het Hof deze kosten op een bedrag van (afgerond) ƒ 17, zijnde de reiskosten van belanghebbende per openbaar vervoer voor het bijwonen van de zitting.
De uitspraak is vastgesteld op 22 november 2001 door mrs. Onnes, voorzitter, Boersma en Goes, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Brands als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, door de voorzitter en de griffier ondertekend.
Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.
U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt u van de griffier een nota griffierecht.
De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.
Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.