ECLI:NL:GHAMS:2001:AD7045
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Dutmer
- Goes
- Kooijman
- Rechtspraak.nl
Geschil over rentevergoeding op vorderingen directeur-grootaandeelhouder op eigen BV in 1997
De directeur-grootaandeelhouder (belanghebbende) had sinds 1994 twee vorderingen op zijn BV, waarop tot en met 1996 geen rente werd bedongen. Voor 1997 stelde de inspecteur dat het bedrag aan rente dat onafhankelijke partijen in het economische verkeer zouden overeenkomen, als inkomen moest worden beschouwd op grond van artikel 24, vierde lid, Wet IB 1964. Belanghebbende stelde dat de rente was uitgesteld en dat dit reeds in 1997 was overeengekomen, maar kon dit niet aannemelijk maken.
Het geschil betrof de vraag of de inspecteur ten onrechte het volledige rentebedrag van ƒ 103.668 als inkomen had meegenomen. Belanghebbende had pas in 1999 een schriftelijke regeling overgelegd waarin de rente-uitstel werd vastgelegd, terwijl de inspecteur stelde dat er eind 1996 of begin 1997 geen dergelijke overeenkomst bestond.
Het Hof oordeelde dat het op de weg van belanghebbende lag om aannemelijk te maken dat in 1997 een zakelijke leenvergoeding was overeengekomen. Voornemens of latere schriftelijke vastleggingen konden dit niet vervangen. Omdat geen bewijs werd geleverd van een overeenkomst in 1997, werd het beroep ongegrond verklaard en werd het standpunt van de inspecteur bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van de directeur-grootaandeelhouder wordt ongegrond verklaard en de aanslag wordt bevestigd.