ECLI:NL:GHAMS:2001:AB2161
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Onnes
- Rechtspraak.nl
Geen aftrek giften aan Pandit zonder schriftelijke bescheiden
Belanghebbende, behorend tot de Surinaams-Hindoestaanse gemeenschap, hield meerdere keren per jaar thuis een religieuze dienst waarbij een Pandit medewerking verleende. In 1997 betaalde hij aan deze Pandit een bedrag van ƒ 1.840, dat hij als gift wilde aftrekken van zijn inkomstenbelasting.
Het geschil betrof de vraag of deze bijdragen aftrekbaar waren als gift volgens artikel 47, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Omdat belanghebbende geen schriftelijke bewijsstukken kon overleggen, oordeelde het Hof dat de bijdragen niet als aftrekbare gift konden worden aangemerkt. Ook het beroep op een besluit van de staatssecretaris van Financiën bood geen soelaas, omdat ook daarin schriftelijke bewijsstukken vereist zijn.
Belanghebbende stelde dat de weigering in strijd was met de vrijheid van godsdienst en dat er sprake was van discriminatie. Het Hof verwierp deze stellingen omdat de wettelijke eis van schriftelijke bewijsstukken niet inbreuk maakt op de godsdienstvrijheid en voor alle belastingplichtigen gelijk geldt. Bovendien was niet aannemelijk dat het verkrijgen van bewijsstukken voor belanghebbende onredelijk bezwaarlijk was.
Verder wees het Hof het argument af dat bij giften in natura of het achterwege laten van declaraties geen schriftelijke bewijsstukken nodig zijn. Ook voor dergelijke giften geldt de eis van schriftelijke bewijsstukken. Omdat belanghebbende in het ongelijk werd gesteld en geen bijzondere omstandigheden waren, werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de bijdragen zonder schriftelijke bewijsstukken geen aftrekbare gift vormen.