ECLI:NL:GHAMS:2001:AB1015
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Dutmer
- Rechtspraak.nl
Betaling levensonderhoud aan buitenlandse verwanten aftrekbaar op grond van vertrouwensbeginsel ondanks onvoldoende bewijs
Belanghebbende deed aangifte inkomstenbelasting over 1998 en bracht een bedrag van ƒ 2.800 aan buitengewone lasten in aftrek voor levensonderhoud van zijn ouders in Servië. De inspecteur weigerde deze aftrek omdat geen bancair bewijs kon worden geleverd en betalingen deels via tussenpersonen zouden zijn gedaan.
Belanghebbende overlegde verklaringen van twee tussenpersonen en zijn vader die betalingen bevestigden, maar deze voldeden niet aan de wettelijke eis van schriftelijke bescheiden zoals bankoverschrijvingen. Het hof oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om de aftrek toe te staan.
Desondanks werd het beroep gegrond verklaard op grond van het vertrouwensbeginsel, omdat de inspecteur voor het jaar 1997 soortgelijke betalingen wel had geaccepteerd zonder voorbehoud. Het hof stelde dat belanghebbende mocht vertrouwen op eenzelfde behandeling voor 1998, ondanks een nieuw besluit van de staatssecretaris.
De aanslag werd verminderd tot een belastbaar inkomen van ƒ 63.429. De inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: De aanslag inkomstenbelasting 1998 werd verminderd en de aftrek van betalingen aan buitenlandse verwanten werd toegestaan op grond van het vertrouwensbeginsel.