ECLI:NL:GHAMS:2000:AE5184
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Schaap
- Rechtspraak.nl
Gelijkheidsbeginsel vereist lagere waardering van woning in belastingzaak
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door verweerder was vastgesteld op ƒ 255.000. Na bezwaar bleef deze waarde gehandhaafd. Belanghebbende stelde dat vergelijkbare woningen aan een andere straat (B-straat) lager waren gewaardeerd, wat volgens hem ook voor zijn woning zou moeten gelden.
Verweerder erkende dat sommige woningen aan de B-straat abusievelijk te laag waren gewaardeerd, maar stelde dat de waarde van belanghebbendes woning correct was vastgesteld en dat er geen begunstigingsbedoeling was. Het hof ontleende aan het door verweerder verstrekte overzicht het vermoeden dat de lagere waardering van de woningen aan de B-straat onjuist was en dat dit vermoeden niet was ontzenuwd.
Op grond van het gelijkheidsbeginsel oordeelde het hof dat ook voor de woning van belanghebbende de lagere waardering moest gelden. De waarde werd daarom verminderd tot ƒ 247.000, rekening houdend met extra grond en een waardevollere schuur. Verder verwierp het hof het beroep op schending van de hoorplicht, omdat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat hij daardoor was benadeeld.
De uitspraak werd op 10 maart 2000 gedaan door het lid van de belastingkamer Schaap. Het hof gelastte tevens dat verweerder het griffierecht aan belanghebbende vergoedt.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt verminderd tot ƒ 247.000 op grond van het gelijkheidsbeginsel.