ECLI:NL:GHAMS:2000:AA9220
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Van der Ouderaa
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aftrek buitengewone lasten voor onderhoud zoon uit Ghana
Belanghebbende, afkomstig uit Ghana, bracht in zijn aangifte inkomstenbelasting 1997 een bedrag van ƒ 4.950 in aftrek als buitengewone last voor de kosten van levensonderhoud van zijn zoon, die in Ghana woont. Hij stelde dat hij verplicht was zijn zoon te onderhouden op grond van artikel 45 en Pro 46 van de Wet IB 1964 en verwees naar Ghanees recht en een erkenning van het kind.
De inspecteur wees de aftrek af omdat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat hij volgens Nederlands recht of een vergelijkbare regeling gehouden was tot het verstrekken van ondersteuning. Het hof oordeelde dat de aangeleverde verklaringen en documenten onvoldoende bewijs boden van een onderhoudsverplichting. Een geboorteakte werd niet overgelegd en de brief van de Nederlandse ambassade bevestigde slechts een lopende legalisatieprocedure.
Het hof concludeerde dat de overgemaakte bedragen niet aftrekbaar zijn als buitengewone lasten. Ook de stelling dat het kind als natuurlijk, niet erkend kind onder artikel 394 BW Pro valt werd niet overtuigend bewezen. Er was geen bewijs van een wettelijke of contractuele onderhoudsverplichting jegens de zoon. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat niet is aangetoond dat sprake is van een onderhoudsverplichting jegens de zoon.