ECLI:NL:GHAMS:2000:AA7732
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Van der Ouderaa
- Rechtspraak.nl
Vader mag premie ziektekostenverzekering dochter aftrekken als buitengewone last
Belanghebbende, een vader met een studerende dochter die bij hem inwoonde en geen studiefinanciering ontving, bracht in zijn aangifte inkomstenbelasting 1997 een bedrag van f 4.930,- in mindering als uitgaven voor levensonderhoud. Dit bedrag omvatte ook de premie voor de ziektekostenverzekering van zijn dochter, die op haar naam stond, maar door hem werd betaald.
De Belastingdienst weigerde aftrek van de premie omdat deze niet rechtstreeks aan de dochter was betaald, maar aan de verzekeraar, en de nota op naam van de dochter stond. Het geschil spitste zich toe op de vraag of deze premieaftrek volgens artikel 46, eerste lid, onderdeel a, ten 2°, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 toegestaan was.
Het Hof oordeelde dat de betaling van de premie door de vader, ook al was de polis op naam van de dochter, wel degelijk een uitgave in geld is die strekt tot voorziening in het levensonderhoud. De parlementaire geschiedenis ondersteunt dat dergelijke betalingen aftrekbaar zijn mits zij met schriftelijke bescheiden kunnen worden aangetoond en redelijkerwijs controleerbaar zijn.
De stelling van de Belastingdienst dat het hier om een uitgave in natura zou gaan, werd verworpen. De betaling van de premie is voldoende controleerbaar en voldoet aan de wettelijke eisen. Het beroep van de vader werd gegrond verklaard, de aanslag verminderd en de kosten werden aan de Belastingdienst opgelegd.
Uitkomst: De premie voor de ziektekostenverzekering van de dochter mag door de vader als buitengewone last in aftrek worden gebracht.