ECLI:NL:GHAMS:2000:AA7694
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Bijl
- Boersma
- Den Boer
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende bewijs voor aftrek levensonderhoudsuitgaven aan familie in Kosovo
Belanghebbende, afkomstig uit Kosovo, stelde dat hij in 1997 DM 15.000 had overgemaakt aan een derde in Duitsland voor het levensonderhoud van zijn familieleden in Kosovo. Hij overhandigde een onderhoudsverklaring van de burgemeester van Kosovo waaruit bleek dat zijn familie werkloos was en door hem werd onderhouden. Het geschil betrof de aftrekbaarheid van deze uitgave als buitengewone last in de inkomstenbelasting 1997.
Het hof oordeelde dat op grond van artikel 46, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1997) en de daarbij behorende memorie van toelichting, aftrek alleen mogelijk is indien uitgaven in geld met schriftelijke bescheiden worden aangetoond. Hoewel belanghebbende kon aantonen dat hij het bedrag op een rekening van een derde had gestort en een plausibele toelichting gaf, ontbrak het aan bewijs dat het geld daadwerkelijk bij zijn familie was aangekomen.
De rechtbank verwierp het beroep omdat belanghebbende niet op eenvoudig controleerbare wijze het betalingsverloop kon aantonen. Het feit dat bancaire betalingen problematisch waren vanwege een embargo en de situatie in Kosovo, ontsloeg hem niet van de bewijslast. Het hof verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende schriftelijk bewijs dat de betaling daadwerkelijk ten goede is gekomen aan de familie.