ECLI:NL:GHAMS:2000:AA7604
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Van Ballegooijen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanslag inkomstenbelasting 1998 en toepassing invorderingsvrijstelling
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1998, waarbij de inspecteur een aanslag oplegde op een belastbaar inkomen van ƒ 9.942 en een verschuldigde belasting van ƒ 481. De inspecteur had daarbij de invorderingsvrijstelling van ƒ 87 toegepast, waardoor het te betalen bedrag ƒ 404 bedroeg.
Het geschil betrof de uitleg van artikel 64, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, en of het begrip "de verschuldigde belasting" moet worden gelezen vóór of ná toepassing van de invorderingsvrijstelling. Belanghebbende stelde dat de aanslag niet had mogen worden opgelegd en deed tevens een beroep op het vertrouwensbeginsel vanwege een fout in de aangiftediskette.
Het Hof oordeelde dat de invorderingsvrijstelling buiten beschouwing moet blijven bij de toepassing van artikel 64 en Pro dat de aanslag terecht was opgelegd omdat het bedrag vóór toepassing van de vrijstelling hoger was dan de drempel van ƒ 410. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat de aangiftediskette expliciet vermeldde dat aan de berekening geen rechten konden worden ontleend.
Het Hof verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af wegens ontbreken van bijzondere omstandigheden.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag inkomstenbelasting 1998 wordt ongegrond verklaard en de aanslag bevestigd.