ECLI:NL:GHAMS:2000:AA7498
Gerechtshof Amsterdam
- Voorlopige voorziening
- H. Smit
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake ondernemerschap voor omzetbelasting
Verzoeker, C.V. X, heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen een uitspraak op bezwaar van de inspecteur inzake een naheffingsaanslag omzetbelasting over de periode maart 1998 tot juni 1999. De kern van het geschil betreft de vraag of verzoeker als ondernemer voor de omzetbelasting kan worden aangemerkt.
Verzoeker voert aan dat de onzekerheid over het ondernemerschap hem ernstig schaadt en belemmerd in de voortzetting van zijn bedrijfsactiviteiten. Het hof stelt vast dat verzoeker in wezen een economische eenheid vormt met twee stichtingen, Stichting A en Stichting B, en dat deze situatie los staat van het standpunt van de fiscus. De inspecteur heeft uitstel van betaling verleend en zal heffingsrente compenseren indien verzoeker in het gelijk wordt gesteld.
De President oordeelt dat er onvoldoende sprake is van een spoedeisend belang dat een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Ook de mogelijkheid tot het vorderen van schadevergoeding op grond van artikel 8:73 Awb Pro en de weigering van teruggaaf van omzetbelasting doen hieraan niet af. Een voorlopig oordeel over het ondernemerschap zal de onzekerheid niet wegnemen; een versnelde bodemprocedure is de aangewezen weg.
Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De President ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen.
Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.