ECLI:NL:GHAMS:1999:AE9592
Gerechtshof Amsterdam
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens overschrijding cassatietermijn bij schuldsaneringsregeling
X. verzocht bij de Rechtbank Almelo op 6 januari 1999 de op 17 juni 1998 uitgesproken faillietverklaring op te heffen en tegelijkertijd toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Dit verzoek werd afgewezen. Tegen dit vonnis stelde X. hoger beroep in bij het Gerechtshof Arnhem. Het hof verklaarde X. niet-ontvankelijk in het hoger beroep omdat het beroepschrift niet tijdig was ingediend door een procureur, zoals voorgeschreven in artikel 5 Faillissementswet Pro juncto artikel 15c.
X. voerde aan dat hij pas op 8 februari 1999 schriftelijk kennis had kunnen nemen van het arrest van het hof en dat het hof de beschikking niet op de wettelijk voorgeschreven wijze aan hem had uitgereikt. Hij stelde dat het beroep tijdig was ingesteld en dat het hof ten onrechte niet ontvankelijk had verklaard. De Hoge Raad oordeelde echter dat de cassatietermijn van acht dagen na het arrest van het hof op 5 februari 1999 was verstreken en dat het cassatieverzoek van 9 februari 1999 te laat was ingediend.
De Hoge Raad wees het verweer af dat de late kennisneming van het arrest tot een verlenging van de termijn zou leiden. De Hoge Raad benadrukte de strikte toepassing van de termijnen in de schuldsaneringsregeling en verklaarde X. niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep van X. is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de cassatietermijn.