ECLI:NL:GHAMS:1999:AA8177
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.J. Schaap
- J. Faase
- J. van Loon
- Rechtspraak.nl
Ongeoorloofde voorziening voor claim uit onrechtmatige daad in fiscale vennootschappen
Belanghebbende had in 1982 en 1983 meerdere geldzakvennootschappen verkocht die daarna hun fiscale verplichtingen niet meer nakwamen. In 1992 werd belanghebbende aansprakelijk gesteld voor de oninbare belastingschulden van deze vennootschappen en gesommeerd tot schadevergoeding. Belanghebbende had op haar balans per 31 december 1990 een voorziening opgenomen voor deze claim.
Het geschil betrof de vraag of deze voorziening op die datum geoorloofd was. Het hof oordeelde dat het enkel feit dat de onrechtmatige daad vóór 1990 was gepleegd niet voldoende is. Er moest op 31 december 1990 al een redelijke mate van zekerheid bestaan dat belanghebbende aansprakelijk zou worden gesteld. Dit was niet het geval, aangezien pas in 1992 tot aansprakelijkstelling werd besloten en er geen bewijs was dat de fiscus al eerder een dergelijk beleid voerde.
De inspecteur stelde dat belanghebbende feitelijk leiding had gegeven aan de verkoop en dat de zeggenschap onlosmakelijk verbonden was met de aandeelhouder. Belanghebbende kon echter niet aannemelijk maken dat op de balansdatum een redelijke zekerheid bestond dat zij aansprakelijk zou worden gesteld.
Het hof vernietigde de uitspraak van de inspecteur, handhaafde de aanslag na ambtshalve vermindering en oordeelde dat de voorziening ultimo 1990 niet gevormd mocht worden. De vraag naar de deelnemingsvrijstelling hoefde daardoor niet meer aan de orde te komen.
Uitkomst: Het hof oordeelt dat belanghebbende op 31 december 1990 geen voorziening mocht opnemen voor de claim uit onrechtmatige daad en handhaaft de aanslag na ambtshalve vermindering.