ECLI:NL:GHAMS:1999:AA8172
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- J. Schaap
- J. Faase
- J. Van Vijfeijken
- Rechtspraak.nl
Beoordeling lijfrentepremieaftrek bij overdracht onderneming aan eigen BV en directe doorverkoop
Belanghebbende, een belastingadviseur, droeg in 1993 een deel van zijn maatschapsaandeel over aan A Beheer BV, waarvan hij 50% van de aandelen hield. Deze BV droeg het overgenomen deel onmiddellijk door aan een nieuwe maat, waarbij belanghebbende een lijfrente bedong ter grootte van de stakingswinst. Hij vorderde aftrek van de lijfrentepremie op grond van artikel 45, vijfde lid, onderdeel a, sub 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
De inspecteur weigerde deze aftrek omdat de BV de onderneming niet voortzette maar direct doorverkocht, waardoor volgens de wetgever het creëren van een 'eigen' stamrecht-BV werd voorkomen. Belanghebbende stelde dat de wet geen voortzettingseis bevat en dat de regeling niet restrictief uitgelegd moet worden, verwijzend naar wetsgeschiedenis en jurisprudentie.
Het Hof oordeelde dat de wet en de Brede Herwaardering juist een strikte uitleg vereisen, waarbij de overnemende BV de onderneming moet voortzetten. De directe doorverkoop aan een derde kan niet gelijkgesteld worden met voortzetting. Hierdoor wordt de aftrek geweigerd. De sanctiebepaling van artikel 45c wordt niet buiten toepassing gesteld, ook niet in 'reële gevallen'. Het Hof bevestigde daarmee de uitspraak van de inspecteur en wees de vordering af.
Uitkomst: De aftrek van de lijfrentepremie wordt geweigerd omdat de overnemende BV de onderneming niet voortzet.