ECLI:NL:GHAMS:1999:AA7813
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Schaap
- Faase
- Van Loon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de realiteitswaarde van een voorovereenkomst tot oprichting van een B.V. in belastingaanslag
Belanghebbende en zijn echtgenote sloten een voorovereenkomst om een besloten vennootschap (B.V.) op te richten ter voortzetting van hun maatschapsactiviteiten per 1 januari 1992. De oprichting van de B.V. werd echter pas in 1998 gerealiseerd, na jarenlange vertraging zonder concrete uitvoering.
Belanghebbende gaf in zijn belastingaangiften aan dat de ondernemingsactiviteiten vanaf 1992 voor rekening van de op te richten B.V. werden uitgeoefend, en nam een vergoeding van ƒ 60.000 op als inkomsten uit niet in dienstbetrekking verrichte arbeid. De inspecteur rekende de winst uit de maatschap echter toe aan belanghebbende en legde een navorderingsaanslag op.
Het hof stelde vast dat gedurende de jaren 1992 tot en met 1997 geen uitvoering werd gegeven aan de voorovereenkomst, ondanks meerdere verzoeken van de Kamer van Koophandel en de Belastingdienst. De vertraging kon niet worden gerechtvaardigd door de omstandigheden die belanghebbende aanvoerde. Het hof concludeerde dat er geen wezenlijke bindende overeenkomst bestond tot oprichting en exploitatie van de B.V. vanaf 1992.
Daarom kon de winst niet worden toegerekend aan de B.V., maar moest deze aan belanghebbende worden toegerekend. Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag bevestigd.
Uitkomst: Het hof bevestigt de navorderingsaanslag en verklaart het beroep van belanghebbende ongegrond.