ECLI:NL:GHAMS:1998:AA8090

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 december 1998
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
P 97/00883
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Den Boer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 36 lid 2 onderdeel d Wet op de inkomstenbelasting 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Transportkosten van auto's niet aftrekbaar als kosten van overbrengen inboedel bij verhuizing

Belanghebbende maakte kosten voor de verhuizing van Curaçao naar Nederland en vorderde aftrek van deze kosten bij de inkomstenbelasting over 1993. Het geschil betrof met name de transportkosten van twee auto's die hij en zijn gezin in gebruik hadden. Deze kosten bedroegen ƒ 9.438.

Het Hof stelde vast dat de verhuizing in rechtstreeks verband stond met het aanvaarden van een dienstbetrekking in Nederland en dat de transportkosten van de inboedel van ƒ 4.689 aftrekbaar waren. De vraag was of de autotransportkosten ook aftrekbaar waren als kosten van het overbrengen van de inboedel.

Op grond van een letterlijke uitleg van het begrip 'inboedel' oordeelde het Hof dat auto's niet tot de inboedel behoren en dat deze kosten dus niet als zodanig aftrekbaar zijn. Wel achtte het Hof de autotransportkosten aftrekbaar als verhuiskosten, omdat deze redelijkerwijs niet te vermijden waren en in verband stonden met de verhuizing. De kosten waren bovendien niet buitensporig en bleven binnen de wettelijke grenzen voor aftrek.

De inspecteur werd veroordeeld tot vermindering van de aanslag en tot vergoeding van proceskosten aan belanghebbende. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd niet behandeld omdat het oordeel over de aftrek reeds in het voordeel van belanghebbende was.

Uitkomst: Transportkosten van auto's zijn geen kosten van het overbrengen van de inboedel, maar wel aftrekbare verhuiskosten; aanslag wordt verminderd.

Uitspraak

Gerechtshof te Amsterdam
Kenmerk: P 97/00883
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
Zesde Enkelvoudige Belastingkamer
PROCES-VERBAAL
van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Y, belanghebbende,
tegen
de uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen te P, de inspecteur, gedagtekend 20 januari 1997, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1993.
Het beroep is behandeld ter zitting van 25 november 1997
BESLISSING
Het Hof
- vernietigt de bestreden uitspraak;
- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 33.857;
- veroordeelt de inspecteur tot vergoeding aan belanghebbende van ƒ 1.420 aan proceskosten en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen;
- gelast de griffier het griffierecht ad ƒ 75 aan belanghebbende te vergoeden.
GRONDEN
1. Het geschil betreft de vraag in hoeverre de door belanghebbende bij de verhuizing van Curaçao naar Nederland gemaakte kosten aftrekbaar zijn. Tussen partijen is niet in geschil dat de verhuizing in rechtstreeks verband staat met het aanvaarden van een dienstbetrekking in Nederland, dat belanghebbende ten tijde van het doen van de uitgaven waarvoor hij aanspraak op aftrek maakt, buitenlands belastingplichtig was, dat in ieder geval de transportkosten van de inboedel ten bedrage van ƒ 4.689 aftrekbaar zijn, en dat het bedrag van de uitgaven, voor zover aan te merken als aftrekbare kosten, in mindering kan worden gebracht op belanghebbendes belastbare inkomen als binnenlands belastingplichtige (binnensjaarse compensatie). Het Hof ziet geen reden zich niet bij deze gemeenschappelijke uitgangspunten aan te sluiten.
2. Het geschil spitst zich toe op de kosten van het transport van de twee auto's die bij belanghebbende en zijn gezin in gebruik waren. Deze kosten bedroegen ƒ 9.438. Belanghebbende is van mening dat dit verhuiskosten zijn die in aftrek kunnen worden gebracht. Subsidiair doet belanghebbende een beroep op het bij hem gewekte vertrouwen dat de kosten in aftrek zouden worden toegelaten indien hij in Nederland belastingplichtig zou blijken te zijn.
3. De inspecteur acht de onderhavige kosten niet aftrekbaar. Hij voert daartoe aan dat geen sprake is van verhuiskosten omdat auto's naar spraakgebruik niet onder het begrip 'inboedel' vallen, dat de onderhavige kosten ook niet onder de overige aftrekbare verhuiskosten vallen, dat niet kan worden gezegd dat deze kosten redelijkerwijs niet te vermijden waren, dat de kosten buitensporig zijn, en dat geen welbewust standpunt omtrent de kwalificatie van de kosten is bepaald zolang de inspecteur van oordeel was dat de kosten hoe dan ook niet voor aftrek in aanmerking kwamen bij gebreke van belastingplicht in Nederland.
4. Namens belanghebbende is gesteld, en ter zitting verduidelijkt, dat het transporteren van de auto's naar Nederland voordeliger was dan het verkopen van de auto's in Curaçao en het kopen van nieuwe auto's in Nederland. Deze stelling is door de inspecteur niet, althans niet gemotiveerd, weersproken. Het Hof acht die stelling voldoende aannemelijk gemaakt. Daarvan uitgaande, kan naar het oordeel van het Hof niet worden gezegd dat de onderhavige kosten redelijkerwijs niet te vermijden waren en dat ze buitensporig zijn. Het vereiste verband met de verhuizing is naar het oordeel van het Hof aanwezig. Dit houdt in dat de onderhavige kosten in ieder geval kunnen worden aangemerkt als verhuiskosten, niet zijnde kosten van het overbrengen van de inboedel, als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onderdeel d, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet). Op grond van een letterlijke uitleg van het begrip 'inboedel' is het Hof van oordeel dat de transportkosten van auto's niet kunnen worden aangemerkt als kosten van het overbrengen van de inboedel. Gelet op het karakter van de onderhavige wetsbepaling - die strekt tot nadere beperking van aftrekbare kosten in de zin van artikel 35 van Pro de Wet - acht het Hof een ruimere uitleg van het begrip 'inboedel' niet terecht. In het onderhavige geval is de kwalificatie evenwel niet van invloed op het bedrag van de aftrek. Nu de onderhavige kosten minder bedragen dan 12 percent van het tot de jaarinkomsten herleide bedrag van de in het kalenderjaar genoten inkomsten in verband met de werkzaamheden waarvoor belanghebbende is verhuisd, en minder bedragen dan ƒ 12.000, komen zij voor het geheel in aftrek. Het gelijk is daarom aan belanghebbende. Het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel behoeft geen behandeling.
4. Het Hof acht termen aanwezig de inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Ingevolge het Besluit proceskosten fiscale procedures komt voor vergoeding in aanmerking ƒ 710 x 2 (proceshandelingen) x 1 (gewicht van de zaak), ofwel ƒ 1.420 wegens kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van andere proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.
De uitspraak is vastgesteld op 9 december door mr. Den Boer, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Visser als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.
Het lid van de belastingkamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.