Uitspraak
18 december 2024, 23/3309
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Limburg in een TOZO-zaak. De zaak werd door de meervoudige kamer verwezen naar een enkelvoudige kamer voor verdere behandeling.
De Centrale Raad van Beroep heeft appellant meerdere malen schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht van €143,- binnen een gestelde termijn. Ondanks deze waarschuwingen is het griffierecht niet betaald binnen de voorgeschreven termijnen.
Op grond van artikel 8:41 en Pro 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht is het griffierecht verschuldigd bij het indienen van een beroepschrift en hoger beroep. Door het niet tijdig voldoen van deze betaling is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard zonder inhoudelijke behandeling van de zaak.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter M. Wolfrat in aanwezigheid van griffier A. Giesen en uitgesproken op 30 juni 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht binnen de gestelde termijn.