ECLI:NL:CRVB:2026:842

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
25/1069 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewetuitkering: niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens te late indiening bevestigd

Appellant, voormalig vrachtwagenchauffeur, meldde zich ziek na een ongeval en ontving een Ziektewetuitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 4 augustus 2023 omdat appellant meer dan 65% van zijn loon kon verdienen. Appellant diende op 3 juni 2024 bezwaar in, ruim na de wettelijke termijn van zes weken. Het UWV verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens te late indiening.

De rechtbank Amsterdam oordeelde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was, mede omdat appellant en zijn begeleider na diverse telefoongesprekken met het UWV op de hoogte waren van de beëindiging. Ook een fietsongeluk van appellant maakte de overschrijding niet verschoonbaar. Appellant stelde in hoger beroep dat het UWV verwarring had veroorzaakt door het toezenden van een formulier en dat de beslissing pertinent onjuist was, maar de Raad volgde dit niet.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was en dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk werd verklaard. De medische situatie van appellant wordt alsnog beoordeeld in een herzieningsverzoek. Het hoger beroep werd verworpen en appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de beëindiging van de Ziektewetuitkering is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

25/1069 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 april 2025, 24/6098 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 24 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht het bezwaar van appellant nietontvankelijk heeft verklaard, omdat hij het te laat heeft ingediend. Volgens appellant is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding en had het Uwv zijn bezwaarschrift daarom inhoudelijk moeten behandelen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 mei 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kramer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.L.M. Dunselman.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als vrachtwagenchauffeur voor 62,50 uur per week. Op 25 oktober 2021 heeft hij zich ziekgemeld na een ongeval. Het Uwv heeft appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst van 17 april 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 3 juli 2023 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 4 augustus 2023 beëindigd, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.
1.2.
Op 3 juni 2024 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 3 juli 2023. Bij besluit van 4 september 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingediend.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat, voor zover bij appellant verwarring ontstond toen hij het formulier ‘aanvraag beoordeling arbeidsongeschiktheid’ opgestuurd kreeg, te verwachten is dat hij binnen de bezwaartermijn om opheldering zou hebben gevraagd bij het Uwv. Zo had appellant het Uwv kunnen bellen met de vraag of ontvangst van het formulier betekende dat hij weer recht op ZW-uitkering had. Dit is niet gebeurd. Pas op 22 augustus 2023, toen de bezwaartermijn al was verstreken, heeft een begeleider van appellant contact opgenomen met het Uwv. Daar komt bij dat een begeleider ook op 9 oktober 2023 telefonisch contact heeft gehad met het Uwv, waarbij is gezegd dat de WIA-aanvraag naar verwachting zal worden afgewezen ‘gezien beëindiging ZW’. Ook na deze telefoongesprekken is niet binnen zes weken bezwaar gemaakt. Zelfs als appellant op dat moment pas voor het eerst zou hebben gehoord dat zijn ZW-uitkering was beëindigd, mag van hem volgens vaste rechtspraak worden verwacht dat hij in elk geval binnen zes weken na 9 oktober 2023 een bezwaarschrift indient. Dat appellant ook na de telefonische mededeling nog meer dan een half jaar wacht met het maken van bezwaar is in die situatie niet verschoonbaar. De begeleider van appellant heeft daarnaast aangegeven dat zij op de hoogte was van het besluit van 3 juli 2023, maar dacht dat het wel goed zou komen. De enkele toezending van het formulier heeft de rechtbank onvoldoende geacht om te spreken van dusdanige verwarring dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Bovendien kan van de gestelde verwarring in elk geval geen sprake meer zijn geweest na de hiervoor aangehaalde telefoongesprekken. Dat appellant op 17 augustus 2023 een ongeluk heeft gehad met de fiets, maakt de termijnoverschrijding evenmin verschoonbaar. Toen was de bezwaartermijn al drie dagen verstreken. Het is evenmin reden om te oordelen dat het bestreden besluit pertinent onjuist is. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv mocht afzien van een hoorzitting, nu het gaat om een termijnoverschrijding van elf maanden en een dergelijke overschrijding in zijn algemeenheid als kennelijk mag worden aangemerkt. Dit betekent dat het Uwv het bezwaar van appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Hierbij is van belang dat uit recente rechtspraak volgt dat meer maatwerk moet worden geleverd, waarbij rekening moet worden gehouden met de rol die het Uwv heeft gespeeld en verder moet worden gekeken of de beslissing waartegen bezwaar wordt gemaakt mogelijk pertinent onjuist is. Appellant heeft voor het verstrijken van de bezwaartermijn het formulier ‘aanvraag beoordeling arbeidsongeschiktheid’ ontvangen, waarmee de suggestie is gewekt dat het toch weer goed zou komen met zijn uitkering. Hij ontvangt vanaf januari 2024 met terugwerkende kracht vanaf oktober 2023 ook weer voorschotten. Van hem mocht niet worden verwacht dat hij binnen de bezwaartermijn om opheldering zou hebben gevraagd bij het Uwv of dat hij binnen zes weken na het telefoongesprek op 9 oktober 2023 een bezwaarschrift had moeten indienen. Subsidiair heeft appellant aangevoerd dat sprake is van een pertinent onjuiste beslissing. De verzekeringsarts heeft appellant arbeidsgeschikt geacht op basis van een aanname. De situatie van appellant is echter binnen vier weken na de beëindiging van de ZW verslechterd. Dit is ten onrechte niet meegenomen in de bezwaarprocedure.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de nietontvankelijkverklaring van het bezwaar in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.
5.2.
Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
5.3.
In artikel 6:11 van Pro de Awb is, voor zover hier van belang, bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift, een niet-ontvankelijkverklaring daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
5.4.
De rechtbank heeft de gronden die appellant in beroep heeft aangevoerd uitvoerig besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. De Raad voegt daaraan het volgende toe.
5.5.
Anders dan appellant heeft gesteld, is de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Appellant heeft pas op 3 juni 2024, en daarmee bijna tien maanden na het verstrijken van de bezwaartermijn, bezwaar gemaakt tegen het besluit van 3 juli 2023. Hoewel voorstelbaar is dat appellant in verwarring is gebracht door het toezenden van het aanvraagformulier voor een WIA-uitkering, vormt dit geen reden om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. De rechtbank kan worden gevolgd in het oordeel dat na het telefonisch contact tussen de begeleider en een medewerker van het Uwv op 22 augustus 2023 en in ieder geval na het tweede contact op 9 oktober 2023 voor appellant duidelijk moet zijn geweest dat zijn ZW-uitkering was beëindigd. Dat dit volgens appellant niet het geval was, omdat slechts de verwachting werd uitgesproken dat de WIA-uitkering werd afgewezen, slaagt niet. Uit de telefoonnotitie van 9 oktober 2023 blijkt immers dat de begeleider is verteld dat de ZWuitkering was beëindigd. Dat nog niet definitief op de WIA-aanvraag was beslist, doet daar niet aan af. Voorts kan het ingevulde aanvraagformulier van 14 augustus 2023 niet worden aangemerkt als een bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 3 juli 2023. Uit de bewoordingen van dit formulier kan niet worden afgeleid dat is bedoeld bezwaar te maken tegen dit besluit.
5.6.
Wat appellant heeft aangevoerd tegen de medische beoordeling, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Nu het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat het bezwaar te laat is ingediend en deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, wordt aan een inhoudelijke beoordeling van het recht op een ZW-uitkering niet toegekomen. Het Uwv heeft ter zitting wel te kennen gegeven dat het inmiddels door appellant ingediende herzieningsverzoek in bezwaar inhoudelijk wordt beoordeeld. De medische situatie van appellant ten tijde van de beëindiging van de ZW in augustus 2023 komt daarmee in het kader van het herzieningsverzoek alsnog aan bod.

Conclusie en gevolgen

5.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bezwaar tegen de beëindiging van de ZW-uitkering terecht nietontvankelijk is verklaard.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.C. Boot, in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026.

(getekend) G.C. Boot

(getekend) S. Ploum