ECLI:NL:CRVB:2026:842
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering: niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens te late indiening bevestigd
Appellant, voormalig vrachtwagenchauffeur, meldde zich ziek na een ongeval en ontving een Ziektewetuitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 4 augustus 2023 omdat appellant meer dan 65% van zijn loon kon verdienen. Appellant diende op 3 juni 2024 bezwaar in, ruim na de wettelijke termijn van zes weken. Het UWV verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens te late indiening.
De rechtbank Amsterdam oordeelde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was, mede omdat appellant en zijn begeleider na diverse telefoongesprekken met het UWV op de hoogte waren van de beëindiging. Ook een fietsongeluk van appellant maakte de overschrijding niet verschoonbaar. Appellant stelde in hoger beroep dat het UWV verwarring had veroorzaakt door het toezenden van een formulier en dat de beslissing pertinent onjuist was, maar de Raad volgde dit niet.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was en dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk werd verklaard. De medische situatie van appellant wordt alsnog beoordeeld in een herzieningsverzoek. Het hoger beroep werd verworpen en appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de beëindiging van de Ziektewetuitkering is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.