ECLI:NL:CRVB:2026:837

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
25/1409 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft een WIA-uitkering aangevraagd, maar het UWV heeft deze geweigerd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige van het UWV stelden beperkingen vast en selecteerden passende functies, waarna het UWV het besluit nam de uitkering te weigeren. Appellant voerde aan dat zijn beperkingen werden onderschat en dat de geselecteerde functies niet passend waren, onderbouwd met uitgebreide medische informatie.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen juist waren vastgesteld. De Raad onderschrijft dit oordeel en stelt dat de medische informatie geen aanleiding geeft tot het aannemen van meer beperkingen of een urenbeperking. De functies die het UWV selecteerde, waaronder die van textielproductenmaker, zijn passend binnen de vastgestelde belastbaarheid.

De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Hierdoor blijft de weigering van de WIA-uitkering in stand. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding omdat het hoger beroep geen ander rechtsgevolg heeft. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 24 juni 2026.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

25/1409 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 4 juni 2025, 24/3168 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 24 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellant per 14 augustus 2023 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.B.B. Beelaard, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 mei 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Beelaard. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.W.C. Jacobs.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als schoonmaker voor 42,10 uur per week. Op 16 augustus 2021 heeft hij zich ziekgemeld. Vanaf 12 oktober 2021 heeft het Uwv aan appellant een uitkering op grond van de Ziektewet toegekend. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 21 juni 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 26 juli 2023 geweigerd appellant met ingang van 14 augustus 2023 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 16 april 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 9 april 2024 een nieuwe FML opgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft naar aanleiding hiervan één functie laten vervallen en een nieuwe functie geselecteerd. Appellant is hierdoor nog altijd minder dan 35% arbeidsongeschikt.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan het medisch oordeel van het Uwv. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overtuigend en inzichtelijk gemotiveerd dat de medische informatie van het Maasziekenhuis niet leidt tot het aannemen van meer of verdergaande beperkingen, omdat die informatie al bekend was en in bezwaar is meegenomen in de beoordeling. Over het aspect boven schouderhoogte actief zijn heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gesteld dat de door appellant aangegeven klachten niet passen bij de uitkomst van het MRIonderzoek. Er lijkt voornamelijk sprake te zijn van een somatoforme pijnstoornis. Deze stelling sluit aan bij de uitkomsten van de myelografie en het lichamelijk onderzoek. Daarnaast zou het aannemen van een beperking op dit punt averechts werken, omdat de klachten van appellant voornamelijk worden veroorzaakt door te weinig beweging. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de functie snackbereider passend is voor appellant. Daarbij heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep erop gewezen dat op het aspect ‘boven schouderhoogte actief zijn’ geen beperking is aangenomen. Er is op dit aspect wel een signalering omdat de normwaarde wordt overschreden, maar het gaat om een dynamische handeling van vastpakken en wegzetten waardoor de handeling meer lijkt op reiken. De normwaarde van reiken wordt niet overschreden. Bovendien heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 3 juli 2024 aangegeven dat het in de functie van snackbereider boven schouderhoogte actief zijn zonder meer mogelijk is voor appellant. Tot slot heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om een proceskostenveroordeling toe te kennen, omdat de nieuwe berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid in bezwaar niet heeft geleid tot een ander rechtsgevolg. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant blijft minder dan 35%. Dit betekent dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant per 14 augustus 2023 een WIA-uitkering toe te kennen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat zijn lichamelijke beperkingen zijn onderschat. Door zijn veelheid aan lichamelijke klachten heeft hij last van ernstige vermoeidheid en uitputting. Het Uwv heeft hier onvoldoende rekening mee gehouden door geen urenbeperking aan te nemen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij een grote hoeveelheid medische informatie overgelegd van onder meer de huisarts, dermatoloog, internist, longarts en de orthopedisch chirurg. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat de functie textielproductenmaker niet passend is. In deze functie wordt tijdens een werkuur viermaal ongeveer vijftien minuten achtereen gestaan waarbij enkele passen van maximaal twee meter worden gemaakt. Feitelijk betekent dit een uur achtereen staan, terwijl appellant slechts in staat is om een kwartier achtereen te staan. Dat tijdens dit uur enkele passen kunnen worden gedaan, is niet voldoende om de overschrijding van de belastbaarheid te compenseren.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
5.2.
De rechtbank heeft de gronden die appellant in beroep heeft aangevoerd uitvoerig besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. De Raad voegt daaraan het volgende toe.
5.3.
Appellant wordt niet gevolgd in zijn stelling dat het Uwv zijn lichamelijke beperkingen heeft onderschat en dat ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in bezwaar verschillende psychische en lichamelijke beperkingen aangenomen en inzichtelijk overwogen waarom geen aanleiding bestond voor verdergaande beperkingen. In beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd op de door appellant overgelegde informatie en eveneens deugdelijk gemotiveerd waarom deze informatie geen aanleiding biedt voor het wijzigen van het standpunt. In hoger beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nogmaals gerapporteerd en daarbij gereageerd op de bij het hogerberoepschrift gevoegde medische informatie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk overwogen dat hierin wordt bevestigd dat sprake is van status na trombose in het been met milde verschijnselen, zodat geen reden bestaat voor extra beperkingen. Verder blijkt uit de medische informatie dat sprake is van COPD, maar dat uit het beeldvormend onderzoek geen ernstige obstructie naar voren komt. Op basis van deze bevindingen is er geen reden om het medisch beeld als ernstig in te schatten en/of fors meer fysieke beperkingen aan te nemen nu appellant al werd beperkt vanwege bekende nek- en rugklachten. Ook een lichte OSAS, slaapapneu, leidt slechts tot lichte beperkingen waarmee ook autorijden onveranderd is toegestaan. Bovenstaande informatie rechtvaardigt geen urenbeperking. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kan hierin worden gevolgd.
5.4.
Appellant heeft in hoger beroep op 30 april 2026 nadere informatie van de orthopedisch chirurg, anesthesioloog en fysiotherapeut overlegd. Deze informatie leidt evenmin tot een ander oordeel. Appellant heeft hier desgevraagd ter zitting over aangevoerd dat deze informatie zijn lichamelijke problematiek bevestigd, waarbij hij zijn vermoeidheids- en uitputtingsklachten heeft benadrukt. Het Uwv heeft vervolgens naar voren gebracht dat hieruit geen nieuwe, nog niet eerder bekende gegevens over de medische situatie van appellant naar voren komen. Bovendien dateren de brieven van ruim na de datum in geding en blijkt uit deze brieven dat de medische situatie van appellant in ieder geval niet is verslechterd. De door appellant gestelde vermoeidheidsklachten worden in de medische stukken niet onderbouwd. Het Uwv heeft daarom geen aanleiding gezien om op basis hiervan meer beperkingen aan te nemen. Het Uwv kan ook op dit punt worden gevolgd.
5.5.
Wat appellant heeft aangevoerd geeft tot slot geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies voor hem niet geschikt zijn. Volgens appellant wordt in de functie textielproductenmaker de belastbaarheid overschreden, gelet op de beperking die is aangenomen voor staan. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 7 augustus 2025 inzichtelijk gemotiveerd dat de belasting op het aspect ‘staan’ en ‘staan tijdens het werk’ geen signalering geeft bij deze functie, omdat de toegestane belastbaarheid strikt genomen niet wordt overschreden. Het staan is namelijk maximaal vijftien minuten aaneengesloten en de totale duur op een dag is niet meer dan twee uur. Dit valt binnen de toegestane belastbaarheid zoals verwoord in de FML van 9 april 2024. De belasting is ‘niet dagelijks voorkomend’ en er is sprake van een bijzondere eis (komt voor op < 50% van het aantal uren per werkdag van de functie). Volgens de definitie in het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem is sprake van een onderbreking van het staan door lopen, omdat minstens één meter wordt afgelegd. Daarnaast heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overleg gevoerd met de verzekeringsarts bezwaar en beroep, waaruit blijkt dat de functie medisch gezien passend is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is van mening dat nu het vooral om dynamisch staan gaat en het slechts éénmaal per week voorkomt, deze belasting niet bezwaarlijk is voor appellant.

Conclusie en gevolgen

5.6.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.C. Boot, in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026.

(getekend) G.C. Boot

(getekend) S. Ploum