Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:723

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
24/2227 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 AOWArt. 17 AOW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing AOW-toeslag na overlijden echtgenote zonder eigen pensioenaanspraak

Appellant maakte bezwaar tegen het beëindigen van de AOW-toeslag na het overlijden van zijn echtgenote, die recht had op een AOW-pensioen inclusief toeslag voor een jongere partner. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) had het AOW-pensioen van de echtgenote beëindigd en daarmee ook de toeslag voor appellant, die zelf nog niet pensioengerechtigd is.

De rechtbank oordeelde dat appellant geen zelfstandig recht op de toeslag heeft en verwierp het beroep op het vertrouwensbeginsel, omdat uit de communicatie van de Svb niet blijkt dat appellant aanspraak kan maken op de toeslag na het overlijden van zijn echtgenote. De Raad onderschrijft dit oordeel volledig en bevestigt het bestreden besluit.

Appellant stelde dat hij uit een brief van de Svb mocht afleiden dat hij recht had op een AOW-uitkering voor alleenwonenden, maar de Raad oordeelt dat deze brief tot verwarring kan leiden maar geen zelfstandig recht op toeslag creëert. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand. Appellant krijgt het betaalde griffierecht niet terug.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de AOW-toeslag blijft in stand.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/2227 AOW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 17 september 2024, 24/1997 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 27 mei 2026

SAMENVATTING

De echtgenote van appellant had recht op een AOW-pensioen inclusief een AOW-toeslag voor appellant. Na haar overlijden heeft appellant geen zelfstandig recht op AOW-toeslag. Dit heeft hij ook niet kunnen afleiden uit brieven van de Svb. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend, waarop appellant heeft gereageerd.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 april 2026. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Met een besluit van 21 oktober 2013 is aan de echtgenote van appellant met ingang van 24 november 2013 een AOW [1] -pensioen en een toeslag voor jongere partner toegekend. Op 5 april 2023 heeft appellant aan de Svb laten weten dat zijn echtgenote in een zorginstelling is opgenomen en gevraagd wat dit betekent voor hun AOW. Met een brief van 6 april 2023 heeft de Svb appellant informatie gegeven over de mogelijkheid om te kiezen voor een AOW-pensioen voor ongehuwden. Een vergelijkbare brief is ook naar de echtgenote van appellant gestuurd. Het ouderdomspensioen is ongewijzigd gebleven, zodat de echtgenote een AOW-pensioen met toeslag voor appellant is blijven ontvangen.
1.2.
Met een besluit van 20 november 2023 heeft de Svb aan appellant meegedeeld dat vanwege het overlijden van zijn echtgenote op [datum] 2023 haar AOW-pensioen is beëindigd. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt omdat hij het er niet mee eens is dat ook de AOW-toeslag is beëindigd. Volgens appellant was de toeslag voor hem bedoeld en heeft hij dat ook kunnen opmaken uit de brief van 6 april 2023 en het besluit van 20 november 2023.
1.3.
Met een besluit van 28 maart 2024 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft hiertoe – samengevat – overwogen dat in de AOW dwingend is bepaald dat het de (gehuwde) AOW-gerechtigde is die aanspraak maakt op AOW-pensioen en op de AOW-toeslag. Appellant heeft zelf nog geen aanspraak op grond van de AOW, omdat hij nog niet pensioengerechtigd is. Met het overlijden van zijn echtgenote verviel haar aanspraak op AOW-pensioen en op de AOWtoeslag. Appellant heeft zelf geen recht op AOW-toeslag. Het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt door de rechtbank verworpen. Volgens de rechtbank valt uit de brieven van de Svb van 6 april 2023 niet af te leiden dat door de Svb is gezegd dat appellant zelf aanspraak maakt op de AOW-toeslag na het overlijden van zijn echtgenote. Dit vertrouwen kan appellant ook niet ontlenen aan het besluit van 20 november 2023. Hoewel in dat besluit enkel wordt gesproken over de beëindiging van het AOW-pensioen, moet hieronder ook worden begrepen de AOW-toeslag. Dat volgt uit het wettelijk kader, met name artikel 8, vierde lid, van de AOW.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant verwijst opnieuw naar de brief van de Svb van 6 april 2023. In die brief staat dat, omdat zijn partner in een zorginstelling woont, hij of zijn partner voor een AOW voor een alleenwonende kunnen kiezen. Hiermee heeft de Svb volgens appellant erkend, dat zij beiden, gescheiden levend van elkaar, recht hebben op een uitkering van de Svb. Appellant meent daarom recht te hebben op AOW-toeslag vanaf [datum] 2023, totdat hij AOW-gerechtigde wordt. Indien die AOW-toeslag wordt toegekend, verzoekt hij om wettelijke rente over de nabetaling.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
De Raad volgt het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig. De echtgenote van appellant was rechthebbende op het AOWpensioen en de AOW-toeslag. Een zelfstandige aanspraak op die AOW-toeslag heeft appellant niet. Dat heeft hij ook niet kunnen afleiden uit de door hem genoemde brief van 6 april 2023, hoewel deze brief voor appellant wel tot verwarring kan hebben geleid. Het beroep op het vertrouwensbeginsel is door de rechtbank terecht verworpen. De aangevallen uitspraak moet dus worden bevestigd. Appellant heeft in hoger beroep geen argumenten aangevoerd die tot een ander oordeel leiden.

Conclusie en gevolgen

4.2.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het besluit van 28 maart 2024 in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant zijn betaalde griffierecht niet terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé in tegenwoordigheid van N. Gios als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.

(getekend) L.M. Tobé

(getekend) N. Gios
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Algemene Ouderdomswet
Artikel 8
1. De pensioengerechtigde die voor 1 januari 2015 is gehuwd en voor die datum recht heeft op ouderdomspensioen en van wie de echtgenoot jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, heeft overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op een toeslag, tenzij, met inachtneming van artikel 11 het Pro inkomen uit arbeid of overig inkomen van die echtgenoot meer bedraagt dan de volledige bruto-toeslag.
(..)
4. Waar in deze wet en in de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt gesproken van ouderdomspensioen wordt daaronder mede verstaan de in het eerste lid bedoelde toeslag, voor zover niet anders is bepaald.
Artikel 17
1. Het ouderdomspensioen wordt door de Sociale verzekeringsbank ingetrokken of herzien, wanneer degene, aan wie het is toegekend, ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde daarvoor niet of niet meer in aanmerking komt, onderscheidenlijk voor een hoger of lager ouderdomspensioen in aanmerking komt.

Voetnoten

1.Algemene Ouderdomswet.