Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
.Van 14 november 2022 tot 15 februari 2023 heeft appellant de functie van [naam functie] - bedrijfskundig adviseur waargenomen, een functie met de rang van kapitein.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een beroepsmilitair bij de Koninklijke Luchtmacht, maakte bezwaar tegen de hoogte van de waarnemingstoelage die hem werd toegekend voor de periode van 14 november 2022 tot 15 februari 2023, waarin hij een hogere functie waarnam. De staatssecretaris had de toelage vastgesteld op basis van de nieuwe salaristabel die per 1 januari 2023 werd ingevoerd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat de staatssecretaris de hoogte van de waarnemingstoelage correct had vastgesteld. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Hij stelde dat de waarnemingstoelage hoger had moeten zijn, omdat hij meende dat de fictieve bevorderingsdatum op het moment van aanvang van de waarneming moest worden toegepast.
De Raad oordeelde dat de staatssecretaris terecht de waarnemingstoelage had berekend als het verschil tussen het salaris van zijn rang en het salaris van de waargenomen functie per 1 januari 2023, conform het Arbeidsvoorwaardenakkoord en de transitietabel. De Raad verwierp het betoog van appellant dat de waarnemingstoelage hoger had moeten zijn door een fictieve eerdere bevordering. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De hoogte van de waarnemingstoelage per 1 januari 2023 is correct vastgesteld en het hoger beroep wordt afgewezen.