Uitspraak
22 september 2025, 25/3803, 25/3814, 25/3815 en 25/4074
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland. De Centrale Raad van Beroep heeft vastgesteld dat het griffierecht van €143,- niet is betaald, ondanks een aangetekende aanmaning en een tweede toezending per gewone post. Daarnaast bevat het ingediende beroepschrift geen gronden, terwijl appellant hiervoor ook meerdere malen in de gelegenheid is gesteld om dit te herstellen.
De Raad heeft de termijnen voor betaling en het indienen van beroepsgronden verstreken geacht zonder dat appellant hieraan heeft voldaan. Op grond van artikel 8:41 en Pro 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het griffierecht verplicht, en volgens artikel 6:5 Awb Pro moet het beroepschrift gronden bevatten. Omdat appellant niet in verzuimvrijheid kon worden gesteld, is het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter M. Wolfrat in aanwezigheid van griffier A. Giesen en uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht en het ontbreken van beroepsgronden.