ECLI:NL:CRVB:2026:559
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.P. Loof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewetuitkering wegens onvoldoende toename arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als schoonmaakster, meldde zich in 2018 ziek en kreeg in 2020 een WIA-beoordeling waarbij zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd verklaard. Het Uwv weigerde haar een WIA-uitkering, maar kende haar een WW-uitkering toe. In 2023 meldde zij zich opnieuw ziek met meervoudige klachten, waarna het Uwv haar Ziektewetuitkering weigerde omdat zij geschikt werd geacht voor de eerder geselecteerde functies.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze weigering ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen sprake was van een verslechtering van haar psychische en fysieke toestand die een hogere arbeidsongeschiktheid zou rechtvaardigen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar klachten waren toegenomen en dat er meer beperkingen moesten worden aangenomen, maar leverde geen nieuwe medische stukken aan.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het Uwv terecht de ZW-uitkering had geweigerd omdat de medische beperkingen niet waren toegenomen in die mate dat zij niet meer geschikt was voor ten minste drie van de eerder geselecteerde functies met elk ten minste drie arbeidsplaatsen. Het verzoek om een onafhankelijke deskundige werd afgewezen vanwege het ontbreken van twijfel aan de medische beoordeling. Het hoger beroep werd verworpen en de weigering van de ZW-uitkering bleef in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Ziektewetuitkering wegens onvoldoende toename van arbeidsongeschiktheid.