Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:559

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
24/2364 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.P. Loof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering Ziektewetuitkering wegens onvoldoende toename arbeidsongeschiktheid

Appellante, werkzaam als schoonmaakster, meldde zich in 2018 ziek en kreeg in 2020 een WIA-beoordeling waarbij zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd verklaard. Het Uwv weigerde haar een WIA-uitkering, maar kende haar een WW-uitkering toe. In 2023 meldde zij zich opnieuw ziek met meervoudige klachten, waarna het Uwv haar Ziektewetuitkering weigerde omdat zij geschikt werd geacht voor de eerder geselecteerde functies.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze weigering ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen sprake was van een verslechtering van haar psychische en fysieke toestand die een hogere arbeidsongeschiktheid zou rechtvaardigen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar klachten waren toegenomen en dat er meer beperkingen moesten worden aangenomen, maar leverde geen nieuwe medische stukken aan.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het Uwv terecht de ZW-uitkering had geweigerd omdat de medische beperkingen niet waren toegenomen in die mate dat zij niet meer geschikt was voor ten minste drie van de eerder geselecteerde functies met elk ten minste drie arbeidsplaatsen. Het verzoek om een onafhankelijke deskundige werd afgewezen vanwege het ontbreken van twijfel aan de medische beoordeling. Het hoger beroep werd verworpen en de weigering van de ZW-uitkering bleef in stand.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Ziektewetuitkering wegens onvoldoende toename van arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

24/2364 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 12 september 2024, 23/6931 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 7 mei 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellante per 20 maart 2023 heeft geweigerd. Volgens appellante was zij toen door haar (medische) beperkingen niet in staat de eerder in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies te verrichten. De Raad volgt dit standpunt van appellante niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft geweigerd.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Gümüs, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 8 april 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar dochter en mr. Gümüs. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante was werkzaam als schoonmaakster en heeft zich op 17 september 2018 ziekgemeld. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv bij besluit van 25 september 2020 geweigerd aan appellante met ingang van 24 september 2020 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellante werd niet meer in staat geacht tot het verrichten van haar laatste werk als schoonmaakster, maar wel tot het vervullen van diverse andere functies. Dit besluit werd in bezwaar gehandhaafd, nadat op 7 januari 2021 en 12 februari 2021 een medische herbeoordeling door een verzekeringsarts bezwaar en beroep had plaatsgevonden, waarin werd geconcludeerd dat er geen reden was om de belastbaarheid van appellante aan te passen.
1.2.
Het Uwv heeft appellante een uitkering op grond van de Werkloosheidswet toegekend. Appellante heeft zich op 20 maart 2023 opnieuw ziekgemeld met meervoudige gezondheidsklachten. In verband hiermee heeft zij op 1 mei 2023 het spreekuur bezocht van een Uwv-arts. Deze arts heeft appellante per 20 maart 2023 geschikt geacht voor de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies van productiemedewerker industrie, textielproductenmaker en wikkelaar en ook voor de geselecteerde reservefuncties. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 2 mei 2023 de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) van appellante per 20 maart 2023 geweigerd.
1.3.
Bij besluit van 23 oktober 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht. De primaire arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben het dossier bestudeerd en hebben appellante op een spreekuur gezien waarbij psychisch en lichamelijk onderzoek is verricht. De aanwezige medische informatie is door hen betrokken bij de beoordeling. De rechtbank heeft ook het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschreven dat uit de aanwezige informatie geen ernstig of verslechterd psychisch toestandsbeeld kan worden herleid. Er is al enkele jaren sprake van psychische behandeling en in 2021 heeft een psychiatrische expertise plaatsgevonden. De psychische klachten en de ernst daarvan zijn voldoende gedocumenteerd en bij de WIA-beoordeling is voldoende rekening gehouden met de psychisch verminderde belastbaarheid van appellante. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de stelling dat appellante in het geheel niet in staat zou zijn om persoonlijk te functioneren, niet wordt ondersteund door de medische informatie. Daar heeft de rechtbank aan toegevoegd dat uit de verslagen van de primaire arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgt dat appellante zich tijdens het spreekuur goed kan concentreren, haar aandacht kan behouden en haar verhaal helder en chronologisch kan vertellen. Daarnaast is de rechtbank niet gebleken dat appellante wegens een verergering van haar fysieke beperkingen ongeschikt zou zijn voor de geselecteerde functies. Bij de WIA-beoordeling is rekening gehouden met de aanwezigheid van fysieke klachten en is geoordeeld dat werk met excessieve belasting van het linkerbeen niet aan de orde mag zijn.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellante heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het onderzoek zorgvuldig is geweest en dat het Uwv kan worden gevolgd in het standpunt dat haar psychische klachten gelijk zijn gebleven na de WIA-beoordeling. Ook heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de hallucinatieklachten, het afsluiten van de buitenwereld en de gewijzigde pijnmedicatie van na de datum in geding zijn. Soms heeft appellante zich onttrokken aan zorg maar op die momenten waren er wel forse psychische klachten aanwezig. Door haar psychische klachten en beperkingen heeft appellante geen goede nachtrust en mist zij overdag de energie om haar algemene dagelijkse levensverrichtingstaken te verrichten. Bovendien heeft zij regelmatig paniekaanvallen en angstklachten. Er hadden daarom door het Uwv meer en zwaardere beperkingen voor persoonlijk en sociaal functioneren moeten worden aangenomen. Daarnaast hadden er volgens appellante meer fysieke beperkingen voor de heupen en rechterschouder moeten worden aangenomen. Appellante verzoekt de Raad een onafhankelijke deskundige te benoemen voor een medische herbeoordeling.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 19 van Pro de ZW heeft een betrokkene recht op een ZW-uitkering als hij ongeschikt is voor ‘zijn arbeid’. Volgens vaste rechtspraak wordt met ‘zijn arbeid’ bedoeld het laatst verrichte werk voorafgaand aan de ziekmelding. Dit is de hoofdregel.
5.2.
Een uitzondering hierop wordt aangenomen in de situatie dat eerder een WIAbeoordeling heeft plaatsgevonden, betrokkene niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer ziek heeft gemeld. In een dergelijke situatie geldt het toetsingskader zoals uiteen is gezet in de uitspraak van de Raad van 23 december 2022. [1] Uit deze uitspraak blijkt dat – anders dan voorheen in de rechtspraak werd aangenomen – een weigering van een ZW-uitkering niet kan worden gebaseerd op slechts één van de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies. Bij de toepassing van artikel 19 van Pro de ZW moet zijn voldaan aan de volgende twee voorwaarden:
1) van de oorspronkelijk bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies, met inbegrip van de functies die als reservefuncties aan de betrokkene zijn voorgehouden, zijn op de datum in geding ten minste drie functies met elk ten minste drie arbeidsplaatsen voor de betrokkene geschikt gebleven, én
2) op basis van die functies – gelet op de loonwaarde die die functies ten tijde van de WIA-beoordeling vertegenwoordigen, afgezet tegen het bij de WIA-beoordeling geldende maatmaninkomen – is nog steeds sprake van een arbeidsgeschiktheid van ten minste 65%.
5.3.
Aan deze voorwaarden is in ieder geval voldaan als de verzekeringsarts in het kader van de nieuwe ziekmelding vaststelt dat de medische beperkingen niet zijn toegenomen. Deze vaststelling is dan voldoende om een weigering van een ZW-uitkering op grond van artikel 19 van Pro de ZW te kunnen dragen. Indien de medische beperkingen van betrokkene ten opzichte van de WIA-beoordeling op een of meer punten van de Functionele Mogelijkhedenlijst zijn toegenomen, dan moet worden beoordeeld in hoeverre dit consequenties heeft voor de geschiktheid van de oorspronkelijk bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies.
5.4.
De gronden waarop het hoger beroep berust, zijn in de kern een herhaling van wat appellante in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en gemotiveerd verworpen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen.
5.5.
In hoger beroep heeft appellante geen nieuwe medische stukken ingediend. Er bestaat geen reden te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en het oordeel van de rechtbank dat de psychische en fysieke beperkingen van appellante op de datum in geding niet zodanig zijn toegenomen ten opzichte van de eerdere WIA-beoordeling dat dit leidt tot een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage. Voor zover er bij appellante sinds de WIA-beoordeling sprake is van enige toegenomen beperkingen als gevolg van hielspoor, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend heeft toegelicht dat de geselecteerde functies passend blijven omdat daarin slechts kleine stukjes moet worden gelopen.
5.6.
Omdat de noodzakelijke twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling van het Uwv ontbreekt, wordt het verzoek van appellante om een onafhankelijke deskundige te benoemen, afgewezen.

Conclusie en gevolgen

5.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de ZW-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.P. Loof, in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2026.

(getekend) J.P. Loof

(getekend) S. Ploum

Voetnoten

1.CRvB 23 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2672.