Uitspraak
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontvangt sinds mei 2015 een AOW-pensioen volgens de ongehuwdennorm. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) heeft op 27 augustus 2020 het recht op AOW-pensioen herzien naar de gehuwdennorm met terugwerkende kracht tot 1 januari 2016, omdat appellant in 2015 is getrouwd. Dit besluit is in rechte onherroepelijk geworden.
Appellant verzocht later om terug te komen op dit besluit, maar de Svb wees dit af omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren zoals bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), en het besluit niet onmiskenbaar onjuist was. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond en handhaafde het besluit.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat een nieuwe verklaring van een getuige nieuw licht op de zaak werpt en dat het besluit onmiskenbaar onjuist is. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant zich beperkte tot herhaling van eerdere gronden, die door de rechtbank afdoende waren gemotiveerd. De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
De Raad kende geen proceskostenvergoeding toe aan appellant. De uitspraak bevestigt dat het AOW-pensioen terecht is vastgesteld naar de gehuwdennorm met terugwerkende kracht en dat het verzoek tot herziening niet slaagt.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van het AOW-pensioen naar de gehuwdennorm met terugwerkende kracht wordt afgewezen en het bestreden besluit blijft in stand.