ECLI:NL:CRVB:2026:535

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
24/1758 AOW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2, vijfde lid Boetebesluit sociale zekerheidswettenArt. 2a, tweede lid Boetebesluit sociale zekerheidswettenAlgemene Ouderdomswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boete wegens niet tijdig melden huwelijk en samenwonen bij AOW-herziening

Appellant ontving aanvankelijk AOW-pensioen naar de norm van een ongehuwde. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) herzag dit pensioen met terugwerkende kracht naar de gehuwdenorm vanaf 1 januari 2021, nadat uit een onderzoek bleek dat appellant was gaan samenwonen en getrouwd was. De Svb vorderde het ten onrechte betaalde pensioen terug en legde een boete op van € 513,39, gelijk aan 50% van het benadelingsbedrag.

Appellant voerde aan dat hij zijn huwelijk telefonisch in april 2021 had gemeld en later trouwaktes had toegestuurd, en dat de coronapandemie communicatie bemoeilijkte. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de boete ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep.

De Raad oordeelde dat appellant de samenwoning en het huwelijk niet tijdig had gemeld, wat een schending van de inlichtingenplicht vormt. Er was geen bewijs dat het huwelijk voor januari 2023 was gemeld. De omstandigheden, waaronder de coronapandemie, rechtvaardigden geen vermindering van de boete. Ook waren er geen dringende redenen om van de boete af te zien, en de boete werd niet als onevenredig beschouwd.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, en appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: De boete van 50% van het benadelingsbedrag wegens niet tijdig melden van samenwonen en huwelijk wordt bevestigd.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/1758 AOW
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 juni 2024, 23/6494 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (Duitsland) (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 15 april 2026
Zitting heeft: L.M. Tobé
Griffier: N. Gios
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 april 2026. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O.F.M. Vonk.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1.1.
Appellant ontving een AOW [1] -pensioen naar de norm van een ongehuwde. Met een besluit van 2 maart 2023 heeft de Svb het AOW-pensioen vanaf 1 januari 2021 herzien naar de norm van een gehuwde, omdat uit een formulier onderzoek woonsituatie van januari 2023 bleek dat zijn leefsituatie was veranderd.
1.2.
Met een besluit van 7 juni 2023 heeft de Svb het ten onrechte betaalde AOWpensioen teruggevorderd. Verder is een boete opgelegd van € 513,39. De boete is berekend op 50% van het benadelingsbedrag.
1.3.
Met een besluit van 1 november 2023 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen de opgelegde boete ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant vindt dat de boete ten onrechte is opgelegd. Appellant wijst er op dat zijn huidige vrouw bij hem is gaan wonen om hem te ondersteunen vanwege zijn fysieke beperkingen. Hij heeft zijn huwelijk in april 2021 telefonisch bij de Svb gemeld en heeft in augustus 2021 kopieën van de trouwakte aan de Svb toegestuurd. Eerdere toezending daarvan was volgens hem niet mogelijk, omdat op de aanvankelijke akte een onjuiste trouwdatum was vermeld. Verder heeft appellant aangevoerd dat er ten onrechte geen rekening mee is gehouden dat de situatie speelde tijdens de COVID-19-pandemie.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de opgelegde boete in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Appellant is op [datum 1] 2020 gaan samenwonen en op [datum 2] 2021 in Costa Rica getrouwd. Uit de feiten en omstandigheden, die met name blijken uit het verslag van de hoorzitting in bezwaar, volgt dat bij het samenwonen sprake was van wederzijdse zorg. Daarmee was sprake van een gezamenlijke huishouding. Wat de aanleiding is voor de gezamenlijke huishouding is niet relevant. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat hij zowel het samenwonen als het huwelijk tijdig bij de Svb had moeten melden. Dit blijkt ook uit de brieven van de Svb van 24 september 2012 en 19 september 2013 en appellant heeft dit overigens ook op zitting van de Raad erkend.
4.2.
Dat appellant het huwelijk voor januari 2023 bij de Svb heeft gemeld, is niet gebleken. Enige onderbouwing daarvan ontbreekt en ook in het dossier van de Svb is hier geen steun voor te vinden. Dat in de coronatijd telefoongesprekken niet door de Svb werden genoteerd, zoals appellant heeft aangevoerd, heeft de Svb ter zitting gemotiveerd bestreden.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat appellant de inlichtingenplicht heeft geschonden door het samenwonen en het huwelijk niet tijdig te melden. De Svb is daarom in beginsel gehouden een boete op te leggen. In de door appellant aangevoerde omstandigheden is terecht geen aanleiding gezien om verminderde verwijtbaarheid als bedoeld in artikel 2, vijfde lid en artikel 2a, tweede lid, van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten aan te nemen. De boete is daardoor terecht vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag. Er zijn geen dringende redenen aangevoerd om van het opleggen van een boete af te zien. Tot slot is niet gebleken dat de boete onevenredig is.
4.4.
Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) N. Gios (getekend) L.M. Tobé

Voetnoten

1.Algemene Ouderdomswet.