Uitspraak
11 september 2025, 24/3291 en 24/6408
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag. Volgens artikel 8:41 Awb Pro is het betalen van griffierecht verplicht bij het indienen van een beroepschrift, en artikel 8:108 Awb Pro maakt dit ook van toepassing op hoger beroep. De gemachtigde van appellant is tweemaal schriftelijk gewezen op de verschuldigdheid en de betalingstermijn van het griffierecht van €143,-.
Ondanks deze waarschuwingen is het griffierecht niet binnen de gestelde termijnen betaald. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant in verzuim is en verklaart het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter M. Wolfrat en griffier A. Giesen op 21 april 2026.
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken schriftelijk verzet worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, waarbij de indiener kan verzoeken om te worden gehoord.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht binnen de gestelde termijn.