Uitspraak
5 december 2025, 24/2673 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 december 2025. De beroepstermijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan de dag na bekendmaking van de uitspraak aan, in dit geval op 6 december 2025, en eindigt op 17 januari 2026.
Het beroepschrift is echter pas op 22 januari 2026 ontvangen door de rechtbank Rotterdam en op 27 januari 2026 bij de Centrale Raad van Beroep binnengekomen, wat betekent dat het na afloop van de beroepstermijn is ingediend. Appellant stelde dat hij de uitspraak pas op 6 januari 2026 ontving omdat hij niet thuis was bij de bezorging van de aangetekende brief, maar dit vormt geen bijzondere omstandigheid die de termijnoverschrijding verschoonbaar maakt.
De Raad oordeelt dat de termijn begint te lopen vanaf de dag na de bekendmaking van de uitspraak, ongeacht de feitelijke ontvangst door appellant. Bovendien had appellant na ontvangst van de uitspraak nog voldoende tijd om een pro forma beroepschrift in te dienen om de termijn te bewaren. Gezien het ontbreken van verschoonbare omstandigheden wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn zonder verschoonbare omstandigheden.