Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:476

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
26/168 BBZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding zonder verschoonbare omstandigheden

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 december 2025. De beroepstermijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan de dag na bekendmaking van de uitspraak aan, in dit geval op 6 december 2025, en eindigt op 17 januari 2026.

Het beroepschrift is echter pas op 22 januari 2026 ontvangen door de rechtbank Rotterdam en op 27 januari 2026 bij de Centrale Raad van Beroep binnengekomen, wat betekent dat het na afloop van de beroepstermijn is ingediend. Appellant stelde dat hij de uitspraak pas op 6 januari 2026 ontving omdat hij niet thuis was bij de bezorging van de aangetekende brief, maar dit vormt geen bijzondere omstandigheid die de termijnoverschrijding verschoonbaar maakt.

De Raad oordeelt dat de termijn begint te lopen vanaf de dag na de bekendmaking van de uitspraak, ongeacht de feitelijke ontvangst door appellant. Bovendien had appellant na ontvangst van de uitspraak nog voldoende tijd om een pro forma beroepschrift in te dienen om de termijn te bewaren. Gezien het ontbreken van verschoonbare omstandigheden wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn zonder verschoonbare omstandigheden.

Uitspraak

26/168 BBZ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
26/168 BBZ
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
5 december 2025, 24/2673 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 21 april 2026

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

OVERWEGINGEN

In artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt. Deze termijn gaat in op de dag nadat de aangevallen uitspraak aan partijen is bekendgemaakt. Dat volgt uit artikel 6:8 van Pro de Awb. Een beroepschrift is tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn is ontvangen of als het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Deze regels staan in artikel 6:9 van Pro de Awb. Uit artikel 6:24 van Pro de Awb volgt dat deze bepalingen ook gelden voor het hoger beroep.
Als een beroepschrift na afloop van de beroepstermijn is ingediend blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond van termijnoverschrijding achterwege als die overschrijding het gevolg is van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, als deze is veroorzaakt door handelen of nalaten van het bestuursorgaan en mogelijk ook als sprake is van een andere reden die tot die overschrijding heeft geleid. Bij de beoordeling of hiervan sprake is worden alle omstandigheden van het geval in hun samenhang bezien.
Als het beroepschrift niet tijdig is ingediend en de termijnoverschrijding is niet verschoonbaar, dan moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid, zijn bij de beoordeling niet relevant.
De uitspraak waartegen hoger beroep is ingesteld is op 5 december 2025 in afschrift bij aangetekende brief aan partijen toegezonden. Dat betekent dat de termijn om hoger beroep in te stellen is aangevangen op 6 december 2025 en geëindigd is op 17 januari 2026.
Het beroepschrift is in eerste instantie op 22 januari 2026 ontvangen door rechtbank Rotterdam en is vervolgens op 27 januari 2026 binnengekomen bij de Raad. Uit de stukken is niet gebleken dat het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd. Het beroepschrift is dus na afloop van de beroepstermijn ingediend.
Als reden voor de termijnoverschrijding geeft appellant in zijn beroepschrift aan dat hij de aangevallen uitspraak pas op 6 januari 2026 heeft ontvangen, nadat hij niet thuis was op het moment dat het aangetekende poststuk werd bezorgd.
Appellant heeft daarmee geen bijzondere omstandigheid aangevoerd die maakt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Zoals hierboven is weergegeven, is de beroepstermijn aangevangen vanaf de dag nadat de aangevallen uitspraak aan partijen bekend is gemaakt. Dat appellant de uitspraak pas op 6 januari 2026 heeft ontvangen, brengt geen verandering in deze termijn. Daarbij heeft appellant vanaf dat moment nog de tijd gehad om (in ieder geval een pro forma) beroepschrift in te dienen om de termijn veilig te stellen.
Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.