Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:427

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
25/2430 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken beroepsgronden in sociale zekerheidszaak

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland, maar het ingediende beroepschrift bevatte geen gronden zoals vereist volgens artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad heeft appellante bij brief van 27 januari 2026 en opnieuw bij aangetekende brief van 27 februari 2026 in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken alsnog de beroepsgronden in te dienen. Deze termijnen zijn ongebruikt voorbijgegaan. De aangetekende brief is op 20 maart 2026 retour gekomen, waarna de Raad de brief opnieuw heeft verzonden zonder dat een nieuwe termijn is gaan lopen. Er zijn geen redenen aangevoerd die het verzuim kunnen verontschuldigen.

Gezien het ontbreken van beroepsgronden en het niet herstellen van dit verzuim verklaart de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk zonder inhoudelijke behandeling. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins in aanwezigheid van griffier A. Giesen en uitgesproken op 15 april 2026.

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden en het bestuursorgaan binnen zes weken schriftelijk verzet instellen bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden.

Uitspraak

25/2430 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/2430 WMO15
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
11 september 2025, 23/3670
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (college)
Datum uitspraak: 15 april 2026

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

OVERWEGINGEN

In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Ingevolge artikel 6:24 van Pro de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Het ingediende beroepschrift bevat geen gronden.
Bij brief 27 januari 2026 is appellante in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen.
Appellante heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Bij aangetekende brief van 27 februari 2026 is aan appellante nogmaals de gelegenheid geboden de beroepsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is appellante erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot gevolg kan hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld.
Appellante heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
De aangetekende brief is op 20 maart 2026 retour gekomen bij de Raad. Bij brief van
23 maart 2026 is deze opnieuw aan appellante verzonden. Daarbij is erop gewezen dat met de nieuwe toezending geen nieuwe termijn is gaan lopen.
De Raad heeft geen gronden van het beroep ontvangen. Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor dit verzuim. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.