ECLI:NL:CRVB:2026:395
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gedeeltelijke weigering bijzondere bijstand voor kosten bewindvoering 2022
Appellant en zijn echtgenote vroegen bijzondere bijstand aan voor de kosten van bewindvoering over 2022. Het college kende over de eerste helft van 2022 volledige bijzondere bijstand toe, maar over de tweede helft slechts gedeeltelijk vanwege draagkracht. Appellant was het hier niet mee eens en maakte bezwaar, waarna het college het bezwaar deels honoreerde voor de eerste helft van 2022.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond voor het overige en wees het verzoek om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af. Appellant stelde in hoger beroep dat het college ten onrechte draagkracht had vastgesteld voor de tweede helft van 2022 en dat de rechtbank niet op zijn verzoeken had beslist.
De Raad oordeelde dat de beëindiging van schuldhulpverlening rechtmatig was en dat het college terecht draagkracht had berekend. Ook was rekening gehouden met gemiste toeslagen en beslaglegging. Het verzoek om vergoeding van schade wegens termijnoverschrijding was niet tijdig ingediend. De rechtbank had wel degelijk beslist op de vergoeding van bezwaarkosten, die door het college erkend waren. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de gedeeltelijke weigering van bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering over 2022.