Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:393

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
26/578 ONBEK-VV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:104 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken connexe hoofdzaak

Verzoeker heeft een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de Centrale Raad van Beroep in het kader van een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland. De voorzieningenrechter toetst of het verzoek voldoet aan de vereisten, waaronder de formele connexiteit met een lopende hoofdzaak bij de Raad.

Op 1 april 2026 heeft de Raad uitspraak gedaan op het hoger beroep dat de hoofdzaak vormde. Hierdoor is er geen lopende hoofdzaak meer die formeel verbonden is met het verzoek om voorlopige voorziening. Dit leidt ertoe dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

De voorzieningenrechter behandelt het verzoek daarom niet inhoudelijk en doet uitspraak zonder zitting, conform artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Er is geen aanleiding voor een vergoeding van proceskosten.

De uitspraak is gedaan op 8 april 2026 door voorzieningenrechter D. Hardonk-Prins, in aanwezigheid van griffier A. Giesen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een connexe hoofdzaak.

Uitspraak

26/578 ONBEK-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
26/578 ONBEK-VV
Uitspraak als bedoeld in de artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek om voorlopige voorziening
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
Datum uitspraak: 8 april 2026

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 30 januari 2026, 25/5276 en een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening en nadere stukken ingediend.

OVERWEGINGEN

Op grond van de artikelen 8:104, eerste lid, en artikel 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb kan, als tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
In artikel 8:83, derde lid, van de Awb is bepaald dat de voorzieningenrechter zonder partijen uit te nodigen om op een zitting te verschijnen uitspraak kan doen, onder meer als het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is.
Uit de functie van artikel 8:81 van Pro de Awb vloeit voort dat een verzoek om een voorlopige voorziening onder meer moet voldoen aan de vereisten van formele connexiteit. Dat betekent dat voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening nodig is dat tegen een uitspraak hoger beroep aanhangig is bij de Centrale Raad van Beroep.
Op 1 april 2026 heeft de Raad uitspraak gedaan op het hoger beroep (kenmerk 26/384 ONBEK) tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 30 januari 2026.
Dit betekent dat er geen connexe hoofdzaak meer is en dat het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is.
Dat brengt mee dat de voorzieningenrechter dat verzoek niet inhoudelijk behandelt en dat de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak doet zonder zitting.
Voor een vergoeding van proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026.

(getekend) D. Hardonk-Prins

(getekend) A. Giesen