ECLI:NL:CRVB:2026:393
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken connexe hoofdzaak
Verzoeker heeft een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de Centrale Raad van Beroep in het kader van een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland. De voorzieningenrechter toetst of het verzoek voldoet aan de vereisten, waaronder de formele connexiteit met een lopende hoofdzaak bij de Raad.
Op 1 april 2026 heeft de Raad uitspraak gedaan op het hoger beroep dat de hoofdzaak vormde. Hierdoor is er geen lopende hoofdzaak meer die formeel verbonden is met het verzoek om voorlopige voorziening. Dit leidt ertoe dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
De voorzieningenrechter behandelt het verzoek daarom niet inhoudelijk en doet uitspraak zonder zitting, conform artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Er is geen aanleiding voor een vergoeding van proceskosten.
De uitspraak is gedaan op 8 april 2026 door voorzieningenrechter D. Hardonk-Prins, in aanwezigheid van griffier A. Giesen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een connexe hoofdzaak.