Appellant, geboren in 1949, ontving tot 1 januari 2023 een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning. Na een aanvraag tot verlenging in november 2022 weigerde het college deze na 28 februari 2023 te verstrekken, gebaseerd op een advies van een verzekeringsarts van Stichting SAP. Appellant maakte bezwaar en kreeg in eerste aanleg geen gelijk van de rechtbank.
In hoger beroep overwoog de Raad dat het advies van de verzekeringsarts onvoldoende gemotiveerd was en dat de contra-expertise en aanvullende rapportage van Trompetter & Partners, waarin werd vastgesteld dat appellant beperkt is in het uitvoeren van zware en lichte huishoudelijke taken, overtuigend en consistent waren. Het college had onvoldoende rekening gehouden met deze beperkingen en de gebrekkige onderbouwing van het oorspronkelijke advies.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de proceskosten en griffierecht, en droeg het college op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Tevens werd bepaald dat beroep tegen het nieuwe besluit alleen bij de Raad kan worden ingesteld. Het verzoek van appellant tot schadevergoeding werd afgewezen, maar hij kreeg een vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.