ECLI:NL:CRVB:2026:347
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding in zorgkantoorzaak
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant en tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. De Raad beoordeelt dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend; de beroepstermijn liep van 20 februari 2025 tot 3 april 2025, terwijl het beroepschrift pas op 27 januari 2026 werd ontvangen.
Appellante voerde aan dat zij door late reacties van de gemachtigde van het zorgkantoor en het niet kunnen regelen van een advocaat niet eerder kon instellen. De Raad oordeelt dat deze omstandigheden geen bijzondere omstandigheden vormen die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken. Uit e-mailcorrespondentie blijkt dat appellante op de hoogte was van de beroepstermijn en zelfs voornemens was hoger beroep in te stellen.
Daarom wordt het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt eveneens niet-ontvankelijk verklaard omdat de eis van formele connexiteit ontbreekt, nu het hoger beroep wordt behandeld. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in aanwezigheid van griffier A. Giesen, op 19 maart 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep en het verzoek om voorlopige voorziening worden niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding en gebrek aan formele connexiteit.