Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:341

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
24/434 WLZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet-volledige betaling griffierecht

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland. De Raad verklaarde het hoger beroep op 3 juli 2024 niet-ontvankelijk wegens niet-volledige betaling van het griffierecht binnen de termijn. Appellant deed hiertegen verzet, dat op 16 april 2025 gegrond werd verklaard omdat de correspondentie per post werd verzonden terwijl appellant slecht bereikbaar was per post. Hierdoor verviel de eerdere niet-ontvankelijkverklaring en werd het onderzoek voortgezet.

Vervolgens werd appellant via e-mail en brief gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht van €138,-, met een betalingstermijn van 28 dagen. Appellant betaalde slechts gedeeltelijk, namelijk €25,- en later €67,50, waardoor nog een bedrag van €45,50 openstond. Deze resterende betaling werd niet voldaan binnen de gestelde termijn.

De Raad oordeelde dat appellant in verzuim was en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in aanwezigheid van griffier A. Giesen, op 20 maart 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-volledige betaling van het griffierecht binnen de termijn.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/434 WLZ
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
9 januari 2024, 23/914
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het CAK
Datum uitspraak: 20 maart 2026

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. De Raad heeft op 3 juli 2024 zonder zitting uitspraak gedaan en het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard, omdat het griffierecht niet (volledig) binnen de termijn was betaald.
Tegen de uitspraak van 3 juli 2024 heeft appellant verzet gedaan. De Raad heeft met de uitspraak van 16 april 2025 (kenmerk 24/434 WLZ-V) het verzet gegrond verklaard. De correspondentie over de verschuldigde betaling van het griffierecht is namelijk per (aangetekende) post naar appellant gestuurd, terwijl appellant vooraf al direct te kennen had gegeven slecht bereikbaar te zijn per post. Daarom achtte de Raad aannemelijk dat appellant de brieven en nota’s in deze procedure niet tijdig heeft ontvangen.
Nu het verzet van appellant gegrond is verklaard, komt de uitspraak van de Raad van
3 juli 2024 te vervallen en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Via e-mailbericht van 26 juni 2025 is appellant erop gewezen dat een griffierecht van
€ 138,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Op 7 juli 2025 heeft de Raad van appellant een betaling ontvangen van € 25,-.
Via een bij e-mailbericht van 2 september 2025 verzonden brief is appellant gewezen op de verschuldigdheid van het resterende griffierecht van € 113,- en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen twee weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven. Daarbij is erop gewezen dat als het resterende griffierecht niet tijdig wordt betaald, het hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
Op 8 september heeft de Raad van appellant een betaling ontvangen van € 67,50 waarna appellant nog een resterend griffierecht is verschuldigd van € 45,50.
De termijn is inmiddels verstreken en de Raad heeft geen nieuwe betalingen meer ontvangen van appellant. Dat betekent dat niet het volledige griffierecht binnen de termijn is betaald.
Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum in tegenwoordigheid van
A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2026.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.