Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland. De Raad verklaarde het hoger beroep op 3 juli 2024 niet-ontvankelijk wegens niet-volledige betaling van het griffierecht binnen de termijn. Appellant deed hiertegen verzet, dat op 16 april 2025 gegrond werd verklaard omdat de correspondentie per post werd verzonden terwijl appellant slecht bereikbaar was per post. Hierdoor verviel de eerdere niet-ontvankelijkverklaring en werd het onderzoek voortgezet.
Vervolgens werd appellant via e-mail en brief gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht van €138,-, met een betalingstermijn van 28 dagen. Appellant betaalde slechts gedeeltelijk, namelijk €25,- en later €67,50, waardoor nog een bedrag van €45,50 openstond. Deze resterende betaling werd niet voldaan binnen de gestelde termijn.
De Raad oordeelde dat appellant in verzuim was en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in aanwezigheid van griffier A. Giesen, op 20 maart 2026.