Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:338

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
25/2345 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens te late indiening in AOW-zaak

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam in een AOW-zaak. De wettelijke termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken, ingaand de dag na bekendmaking van de uitspraak. De uitspraak is op 17 juli 2025 aangetekend aan partijen toegezonden, waardoor de beroepstermijn liep tot 29 augustus 2025.

Het beroepschrift is echter pas op 20 november 2025 ontvangen, ruim na het verstrijken van de termijn. De rechtbank heeft de uitspraak nogmaals per gewone post toegezonden, maar dit leidde niet tot een nieuwe beroepstermijn. Appellant gaf als reden voor de overschrijding ziekte aan, maar dit werd niet als een bijzondere omstandigheid erkend die de termijnoverschrijding verschoonbaar maakt.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is wegens niet-tijdige indiening. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum en uitgesproken op 20 maart 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige indiening zonder verschoonbare omstandigheden.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/2345 AOW
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
15 juli 2025, 24/6808 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 20 maart 2026

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

OVERWEGINGEN

In artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt. Deze termijn gaat in op de dag nadat de aangevallen uitspraak aan partijen is bekendgemaakt. Dat volgt uit artikel 6:8 van Pro de Awb. Een beroepschrift is tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn is ontvangen of als het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Deze regels staan in artikel 6:9 van Pro de Awb. Uit artikel 6:24 van Pro de Awb volgt dat deze bepalingen ook gelden voor het hoger beroep.
Als een beroepschrift na afloop van de beroepstermijn is ingediend blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond van termijnoverschrijding achterwege als die overschrijding het gevolg is van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, als deze is veroorzaakt door handelen of nalaten van het bestuursorgaan en mogelijk ook als sprake is van een andere reden die tot die overschrijding heeft geleid. Bij de beoordeling of hiervan sprake is worden alle omstandigheden van het geval in hun samenhang bezien.
Als het beroepschrift niet tijdig is ingediend en de termijnoverschrijding is niet verschoonbaar, dan moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid, zijn bij de beoordeling niet relevant.
De uitspraak waartegen hoger beroep is ingesteld is op 17 juli 2025 in afschrift bij aangetekende brief aan partijen toegezonden. Dat betekent dat de termijn om hoger beroep in te stellen is aangevangen op 18 juli 2025 en geëindigd is op 29 augustus 2025.
Op 3 oktober 2025 is de aangevallen uitspraak retour binnengekomen bij de rechtbank. Uit de sticker op de envelop blijkt dat het poststuk niet is afgehaald. De rechtbank heeft de uitspraak op 10 oktober 2025 nogmaals aan appellant toegezonden, ditmaal per niet-aangetekende post. Daarbij is medegedeeld dat met de nieuwe toezending geen nieuwe termijn is gaan lopen voor het instellen van hoger beroep.
Het beroepschrift is op 20 november 2025 ontvangen en is dus na afloop van de beroepstermijn ingediend. Bij brief van 15 december 2025 is aan appellant gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding.
Appellant heeft deze brief teruggezonden met daarop de enkele aantekening dat hij later heeft gereageerd omdat hij ziek is geweest.
Appellant heeft daarmee geen bijzondere omstandigheid aangevoerd die maakt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum in tegenwoordigheid van
A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2026.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.