Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
.De aanvraag is terecht afgewezen.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, geboren in 1953, heeft op 31 augustus 2021 een AOW-pensioen aangevraagd. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af omdat appellante nooit in Nederland heeft gewoond of gewerkt en dus niet verzekerd was voor de AOW. Ook is er geen recht op huwelijkse tijdvakken omdat zij pas is getrouwd nadat haar echtgenoot, die in 1994 de pensioengerechtigde leeftijd bereikte, niet meer verzekerd was voor de AOW.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond en handhaafde het besluit van de Svb. Appellante stelde in hoger beroep dat zij recht heeft op een ouderdomspensioen omdat haar echtgenoot in Nederland heeft gewerkt en zij geen financiële middelen heeft.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellante niet verzekerd is geweest voor de AOW en dat het toepasselijke verdrag (NMV) geen recht op huwelijkse tijdvakken verleent omdat het huwelijk na het einde van de verzekering van haar echtgenoot is gesloten. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Appellante krijgt geen vergoeding voor het betaalde griffierecht.
Uitkomst: De aanvraag van appellante voor AOW-pensioen wordt afgewezen wegens ontbreken van verzekeringsgeschiedenis en geen recht op huwelijkse tijdvakken.