ECLI:NL:CRVB:2026:286

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
25/517 ANW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens te late indiening beroepschrift

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 november 2024. De Centrale Raad van Beroep beoordeelt de ontvankelijkheid van dit hoger beroep op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De beroepstermijn bedraagt zes weken en vangt aan de dag na bekendmaking van de aangevallen uitspraak. De uitspraak is op 5 december 2024 per aangetekende brief verzonden en in het digitale dossier geplaatst, waardoor de beroepstermijn liep van 6 december 2024 tot en met 16 januari 2025. Het beroepschrift is echter pas op 10 maart 2025 ontvangen en op 19 februari 2025 ter post bezorgd, wat betekent dat het te laat is ingediend.

Appellante voerde als reden voor de termijnoverschrijding dat zij de uitspraak pas laat van de rechtbank had ontvangen. Dit wordt niet als een bijzondere omstandigheid aangemerkt die de overschrijding verschoonbaar maakt. De Raad stelt vast dat de verzending correct heeft plaatsgevonden en dat het moment van ontvangst door appellante niet relevant is voor de termijnberekening.

Daarom wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum en uitgesproken op 6 maart 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening van het beroepschrift zonder verschoonbare omstandigheden.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
29 november 2024, 24/2648 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 6 maart 2026

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

OVERWEGINGEN

In artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt. Deze termijn gaat in op de dag nadat de aangevallen uitspraak aan partijen is bekendgemaakt. Dat volgt uit artikel 6:8 van Pro de Awb. Een beroepschrift is tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn is ontvangen of als het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Deze regels staan in artikel 6:9 van Pro de Awb. Uit artikel 6:24 van Pro de Awb volgt dat deze bepalingen ook gelden voor het hoger beroep.
Als een beroepschrift na afloop van de beroepstermijn is ingediend blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond van termijnoverschrijding achterwege als die overschrijding het gevolg is van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, als deze is veroorzaakt door handelen of nalaten van het bestuursorgaan en mogelijk ook als sprake is van een andere reden die tot die overschrijding heeft geleid. Bij de beoordeling of hiervan sprake is worden alle omstandigheden van het geval in hun samenhang bezien.
Als het beroepschrift niet tijdig is ingediend en de termijnoverschrijding is niet verschoonbaar, dan moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid, zijn bij de beoordeling niet relevant.
De uitspraak waartegen hoger beroep is ingesteld is op 5 december 2024 in het digitale dossier toegevoegd en diezelfde dag in afschrift bij aangetekende brief aan partijen toegezonden. Dat betekent dat de termijn om hoger beroep in te stellen is aangevangen op
6 december 2024 en geëindigd is op 16 januari 2025.
Het beroepschrift is op 10 maart 2025 ontvangen en is dus na afloop van de beroepstermijn ingediend. Het is op 19 februari 2025 ter post bezorgd. Bij brief van 19 mei 2025 is aan appellante gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding.
Appellante heeft daarop bij brief van 18 juni 2025 geantwoord dat zij de aangevallen uitspraak pas laat toegezonden heeft gekregen van de rechtbank, en dat zij daarom te laat hoger beroep heeft ingesteld.
Appellante heeft daarmee geen bijzondere omstandigheid aangevoerd die maakt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Uit de stukken blijkt dat de aangevallen uitspraak op 5 december 2024 op correcte wijze per aangetekende post is verzonden alsmede in het digitale dossier is geplaatst. Dat betekent dat de beroepstermijn is gaan lopen zoals hiervoor is overwogen Het moment van ontvangst van de uitspraak heeft appellante niet duidelijk gemaakt en is in beginsel ook niet relevant voor het bepalen van de beroepstermijn.
Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum in tegenwoordigheid van
A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.