ECLI:NL:CRVB:2026:260

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
24/1284 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Intrekking
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.P. Loof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep na nieuwe beslissing UWV met volledige tegemoetkoming

Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van het UWV inzake een Ziektewetuitkering. Tijdens de procedure heeft de Raad een onafhankelijke deskundige benoemd die een rapport uitbracht. Naar aanleiding daarvan heeft het UWV op 28 oktober 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarbij appellante per 29 augustus 2022 in aanmerking werd gebracht voor een Ziektewetuitkering inclusief (na)betaling tot het einde van de wachttijd van 104 weken.

Omdat het UWV hiermee volledig tegemoetkwam aan de bezwaren van appellante, trok zij het hoger beroep in en verzocht de Raad het UWV te veroordelen in de proceskosten. De Raad oordeelde dat het verzoek tot intrekking gegrond was en dat het UWV op grond van de Awb in de proceskosten moest worden veroordeeld.

De Raad begrootte de proceskosten voor bezwaar en hoger beroep, inclusief kosten van rechtsbijstand, deskundigenrapport en reiskosten, en veroordeelde het UWV tot vergoeding van in totaal € 5.155,66. Tevens werd het door appellante betaalde griffierecht van € 138,- vergoed. De uitspraak werd gedaan door rechter J.P. Loof op 5 maart 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep is ingetrokken na nieuwe beslissing van het UWV die volledig tegemoetkomt aan de bezwaren, met veroordeling van het UWV in proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/1284 ZW
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 6 mei 2024, 23/340 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 5 maart 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.A.E. Wijnands, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft nadere stukken ingediend.
De Raad heeft het verzoek behandeld op een zitting van 19 februari 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Wijnands. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.W. van Schaik.
Na de zitting is het onderzoek heropend. De Raad heeft drs. J.K. van der Veer benoemd als onafhankelijke deskundige voor het instellen van een onderzoek. Op 14 augustus 2025 heeft deze deskundige rapport uitgebracht en vervolgens heeft appellante haar zienswijze op het rapport gegeven.
Het Uwv heeft op 28 oktober 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Met toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Met de nieuwe beslissing op bezwaar heeft het Uwv appellante per 29 augustus 2022 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) en bepaald dat zij recht heeft op (na)betaling van de ZW-uitkering tot en met het einde van de 104 weken wachttijd, die geldt voor de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Daarnaast heeft het Uwv aangekondigd een eindewachttijdbeoordeling WIA te gaan verrichten.
Omdat het Uwv hiermee volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen, heeft appellante het hoger beroep ingetrokken.
Proceskosten
Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken (een veroordeling in de proceskosten gemaakt in beroep is reeds uitgesproken door de rechtbank). De kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), begroot op € 1.332,- in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen bij de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666,-) en € 2.335,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij de Raad op 19 februari 2025 en 0,5 punt voor de zienswijze van 29 september 2025, met een waarde van € 934,- per punt). Totaal €3.667,-.
Kosten van deskundige
Het verzoek om vergoeding van de gemaakte kosten voor het inschakelen van een deskundige komt (gedeeltelijk) voor toewijzing in aanmerking. Het gaat hierbij om het in beroep opgestelde rapport van verzekeringsarts M.J. Gerritze van 22 mei 2023.
Gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb en het Besluit tarieven in strafzaken 2003, wordt uitgegaan van een uurtarief van € 142,75 in 2023. In de door appellante overgelegde factuur met urenspecificatie van verzekeringsarts Gerritze zijn tien uren gedeclareerd voor het verrichten van het onderzoek en het opstellen van het rapport. De Raad acht dit redelijk. Uitgaande van het genoemde uurtarief komt dan voor vergoeding van het deskundigenrapport een bedrag van € 1.427,50 in aanmerking.
Reiskosten en griffierecht
Ook de door appellante gevraagde reiskosten voor het bijwonen van de zitting in hoger beroep van € 61,16 (openbaar vervoer 2e klas) zullen door het Uwv moeten worden vergoed. Ten slotte dient het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138,- te vergoeden. Appellante heeft verder verzocht om vergoeding van € 125,20 aan reiskosten die zij heeft moeten maken voor het onderzoek van de door de Raad ingeschakelde deskundige. Deze reiskosten worden door de Raad vergoed. In de bijzondere omstandigheden van dit geval ziet de Raad aanleiding om eveneens € 125,20 te vergoeden voor de reiskosten gemaakt door de persoon die appellante daarbij heeft begeleid.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 5.155,66;
- bepaalt dat het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.P. Loof, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.
(getekend) J.P. Loof
(getekend) M.G.J. van Eck