ECLI:NL:CRVB:2026:245
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewet-uitkering wegens onvoldoende toegenomen beperkingen
Appellante was laatstelijk werkzaam als medewerker huishouding en meldde zich op 2 februari 2018 ziek. Na herstelverklaring in 2019 en een nieuwe ziekmelding in 2020 ontving zij een Ziektewet-uitkering. Het UWV weigerde later een WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid en stelde dat zij geschikt was voor andere functies. Na een nieuwe ziekmelding in oktober 2022 weigerde het UWV de ZW-uitkering omdat appellante geschikt werd geacht voor de eerder geselecteerde functies.
Appellante stelde dat haar beperkingen waren toegenomen, met name door de wisselwerking tussen paniekstoornis en agorafobie, en dat de medische beoordeling onvoldoende zorgvuldig was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en de medische beperkingen niet waren toegenomen.
In hoger beroep benoemde de Raad een onafhankelijke deskundige die na onderzoek en dossierstudie concludeerde dat er geen toename van beperkingen was en dat appellante geschikt bleef voor de geselecteerde functies. De Raad volgde deze conclusie en oordeelde dat het hoger beroep niet slaagt, waardoor de weigering van de ZW-uitkering in stand blijft.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Ziektewet-uitkering omdat appellante niet meer beperkingen heeft en geschikt is voor de geselecteerde functies.