Uitspraak
24 mei 2024, 23/5378 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 6 januari 2026 uitspraak gedaan over een verzoek om proceskostenveroordeling van een appellant tegen de Sociale verzekeringsbank (Svb). De appellant had eerder hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, waarin zijn beroep gegrond werd verklaard en de Svb werd opgedragen om een nieuw besluit te nemen over een opgelegde boete. Na het nemen van een nieuw besluit door de Svb, waarin het bezwaar van de appellant alsnog gegrond werd verklaard en de boete werd ingetrokken, trok de appellant zijn hoger beroep in en verzocht de Raad om de Svb te veroordelen in de proceskosten.
De Raad overwoog dat volgens artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een bestuursorgaan kan worden veroordeeld in de kosten als het geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift tegemoetkomt. De Svb voerde echter aan dat de appellant geen belang had bij het hoger beroep, omdat het nieuwe besluit al in lijn was met de eerdere uitspraak van de rechtbank. De gemachtigde van de appellant betwistte dit en stelde dat er wel degelijk belang was bij het hoger beroep, gezien de termijn en de inhoud van het nieuwe besluit.
De Raad concludeerde dat, hoewel de Svb aan de bezwaren van de appellant tegemoet was gekomen, de proceskosten in dit geval niet redelijkerwijs waren gemaakt en daarom niet voor vergoeding in aanmerking kwamen. De Raad wees het verzoek om proceskostenveroordeling af, met de overweging dat het instellen van hoger beroep op het punt van de boete niet nodig was, aangezien de rechtbank al had aangegeven dat er geen boete opgelegd zou worden. De uitspraak werd gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier.