ECLI:NL:CRVB:2026:111

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
25/1857 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroepsgronden in sociale zekerheidszaak

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag in een sociale zekerheidszaak. Volgens artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht moet het beroepschrift de gronden van het beroep bevatten. Het ingediende beroepschrift bevatte echter geen gronden.

Appellant is bij brief van 7 oktober 2025 en opnieuw bij aangetekende brief van 7 november 2025 in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken alsnog de beroepsgronden in te dienen. Beide termijnen zijn ongebruikt voorbijgegaan zonder dat appellant een verontschuldiging heeft aangevoerd.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het hoger beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk is en beslist zonder inhoudelijke behandeling. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter M. Wolfrat in aanwezigheid van griffier A. Giesen op 13 januari 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden.

Uitspraak

Datum uitspraak: 13 januari 2026
25/1857 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
28 juli 2025, 23/8427
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.

OVERWEGINGEN

In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Ingevolge artikel 6:24 van Pro de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Het ingediende beroepschrift bevat geen gronden.
Bij brief van 7 oktober 2025 is appellant in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen.
Appellant heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Bij aangetekende brief van 7 november 2025 is aan appellant nogmaals de gelegenheid geboden de beroepsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is appellant erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot gevolg kan hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld.
Appellant heeft ook deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor dit verzuim. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2026.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.