ECLI:NL:CRVB:2025:943

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 juni 2025
Publicatiedatum
25 juni 2025
Zaaknummer
23/1400 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:26 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang na overlijden appellant

Appellante, laatstelijk woonachtig te Almere, heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland. Tijdens de procedure is gebleken dat appellante is overleden, waardoor haar persoonlijk belang bij de voortzetting van het geding is komen te vervallen.

De Raad heeft conform artikel 8:26, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht de behandeling van de zaak aangekondigd en geprobeerd in contact te komen met eventuele erfgenamen. Er is echter geen concrete reactie ontvangen over erfgenamen die de procedure wensen voort te zetten. Ook tijdens de zitting hebben zich geen belanghebbenden gemeld.

Gezien het ontbreken van een partij die het hoger beroep voortzet, is het procesbelang komen te vervallen. De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De uitspraak is gedaan door C.W.C.A. Bruggeman en uitgesproken op 25 juni 2025.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang na het overlijden van appellante.

Uitspraak

23/1400 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 14 maart 2023, 22/2086 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
wijlen [Appellante], in leven laatstelijk gewoond hebbende te Almere (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van [woonplaats] (college)
Datum uitspraak: 25 juni 2025
SAMENVATTING
Appellante is overleden. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K. Wevers hoger beroep ingesteld.
Het college heeft op 26 september 2024 laten weten dat appellante op [datum] is overleden.
De Raad heeft, gelet op het bepaalde in artikel 8:26, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, in de Staatscourant van 16 mei 2025 [1] aangekondigd dat de behandeling van de zaak op de zitting van 4 juni 2025 zal plaatsvinden. Van de zijde van de erfgenamen van appellante is niemand ter zitting verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Piets.

OVERWEGINGEN

1. Appellante is op [datum] overleden. Daarmee is haar belang bij de voortzetting van het geding vervallen. Voorafgaand aan de aankondiging in de Staatscourant is aan mr. Wevers gevraagd om de Raad te laten weten of hij weet wie de erven van appellante zijn en of zij de procedure wensen voort te zetten. Mr. Wevers heeft hierop niet concreet geantwoord welke erfgenamen de procedure wensen voort te zetten.
2. Ook na de aankondiging in de Staatscourant hebben zich geen belanghebbenden gemeld met het verzoek als partij aan het geding deel te mogen nemen. Niet is gebleken van erfgenamen die appellante als partij in dit geding zijn opgevolgd en die het geding zouden willen voortzetten.
3. Dit betekent dat er geen procesbelang meer is bij een beoordeling van het hoger beroep. Het hoger beroep is daarom niet-ontvankelijk.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.C.A. Bruggeman, in tegenwoordigheid van C.K. Teunissen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2025.
(getekend) C.W.C.A. Bruggeman
(getekend) C.K. Teunissen

Voetnoten

1.Staatscourant 2025, 16307.