Uitspraak
28 juni 2024, 23/7378
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland, maar heeft het verschuldigde griffierecht niet binnen de gestelde termijn voldaan. Ondanks een beroep op betalingsonmacht en meerdere aanmaningen, waaronder een aangetekende brief die retour kwam, heeft appellante niet aan haar betalingsverplichting voldaan.
De Raad heeft appellante meerdere malen verzocht om het griffierecht te betalen en gewezen op de gevolgen van niet-betaling, waaronder niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep. De Raad heeft ook het adres gecontroleerd en vastgesteld dat de aanmaningen naar het juiste adres zijn verzonden. Op grond van artikel 8:38, eerste lid, van de Awb is de aangetekende brief opnieuw per gewone post verzonden.
Omdat het griffierecht niet is betaald en appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet in verzuim is, verklaart de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.