ECLI:NL:CRVB:2025:790

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 mei 2025
Publicatiedatum
23 mei 2025
Zaaknummer
24/2133 ZVW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:38 AwbArt. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet tijdige betaling griffierecht

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland, maar heeft het verschuldigde griffierecht niet binnen de gestelde termijn voldaan. Ondanks een beroep op betalingsonmacht en meerdere aanmaningen, waaronder een aangetekende brief die retour kwam, heeft appellante niet aan haar betalingsverplichting voldaan.

De Raad heeft appellante meerdere malen verzocht om het griffierecht te betalen en gewezen op de gevolgen van niet-betaling, waaronder niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep. De Raad heeft ook het adres gecontroleerd en vastgesteld dat de aanmaningen naar het juiste adres zijn verzonden. Op grond van artikel 8:38, eerste lid, van de Awb is de aangetekende brief opnieuw per gewone post verzonden.

Omdat het griffierecht niet is betaald en appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet in verzuim is, verklaart de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

Datum uitspraak: 21 mei 2025
24/2133 ZVW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
28 juni 2024, 23/7378
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het CAK

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Met een e-mailbericht van 11 september 2024 heeft appellante te kennen gegeven dat zij niet in staat is het griffierecht te betalen. Zij heeft daarbij een beroep gedaan op betalingsonmacht.
Naar aanleiding van dit beroep op betalingsonmacht heeft de Raad appellante met een brief van 1 oktober 2024 verzocht gegevens te verstrekken door een bijgevoegd formulier in te vullen en binnen vier weken retour te sturen aan de Raad. Daarbij is appellante erop gewezen dat het beroep op betalingsonmacht wordt afgewezen en appellante alsnog griffierecht moet betalen, indien het formulier niet op tijd retour is gestuurd, het formulier niet compleet is ingevuld of als gegevens ontbreken.
De Raad heeft het beroep op betalingsonmacht bij brief van 6 november 2024 afgewezen, omdat appellante niet aan het verzoek van de Raad van 1 oktober 2024 heeft voldaan.
Bij brief van 29 januari 2025 is appellante erop gewezen dat een griffierecht van € 138,- is verschuldigd, en is meegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Bij aangetekende brief van 3 maart 2025 is appellante nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is meegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellante er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld kan worden.
De aangetekende brief van 3 maart 2025 is op 7 maart 2025 retour binnengekomen bij de Raad. De Raad heeft vervolgens het adres van appellante gecontroleerd en heeft geconstateerd dat de brief naar hetzelfde bij de Raad bekende postadres is verzonden als voorgaande correspondentie. Appellante heeft bovendien zelf in eerdere brieven op ditzelfde postadres gewezen, onder andere in een brief van 11 september 2024. Sindsdien is in de BRP geen adreswijziging doorgevoerd en heeft appellante zelf ook geen adreswijziging doorgegeven aan de Raad.
De Raad is er daarom vanuit gegaan dat de aangetekende brief van 3 maart 2025 naar het juiste adres is verzonden, en heeft op grond van artikel 8:38, eerste lid, van de Awb de retour binnengekomen brief op 2 april 2025 nogmaals aan appellante toegezonden per gewone post, met de mededeling dat met deze nieuwe toezending niet opnieuw een termijn is gaan lopen.
De termijn is verstreken en het griffierecht is niet betaald.
Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2025.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.