ECLI:NL:CRVB:2025:766
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens bijschrijvingen van derden niet als giften aangemerkt
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder en kreeg gedurende de periode januari 2021 tot maart 2022 meerdere bijschrijvingen van derden op haar bankrekening. Het college herzag en trok de bijstand in over de periode mei 2021 tot maart 2022, met uitzondering van januari 2022, en vorderde een bedrag van € 10.129,14 terug omdat deze bijschrijvingen als inkomen werden aangemerkt.
Appellante voerde aan dat deze bijschrijvingen giften waren vanuit haar culturele achtergrond, waarbij het geven en ontvangen van giften verplicht is, en dat deze daarom niet als inkomen in aanmerking genomen mochten worden. Ook stelde zij dat de terugvordering onevenredig was en dat haar recht op privéleven volgens artikel 8 EVRM Pro werd geschonden.
De Raad oordeelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat de bijschrijvingen daadwerkelijk giften waren. De omvang en het aantal bijschrijvingen van verschillende personen zonder concreet doel wezen eerder op leningen dan op giften. Daarom werden de bijschrijvingen terecht als inkomen beschouwd. De Raad ging niet in op de verdere argumenten over artikel 32 PW Pro en artikel 8 EVRM Pro. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de herziening, intrekking en terugvordering bleven in stand.
Appellante kreeg geen vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht werd niet teruggegeven.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard; herziening, intrekking en terugvordering bijstand blijven in stand.