Uitspraak
1 maart 2024, 23/3711
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland. Volgens artikel 8:41 van Pro de Algemene wet bestuursrecht dient griffierecht te worden betaald bij het indienen van een beroepschrift, en dit is overeenkomstig van toepassing op hoger beroep volgens artikel 8:108 Awb Pro.
Appellant is meerdere malen schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht van €138,-, met duidelijke termijnen en betalingsinstructies. Ondanks deze waarschuwingen en herinneringen is het griffierecht niet binnen de gestelde termijnen voldaan.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant in verzuim is en verklaart het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter M. Wolfrat en griffier A. Giesen op 11 februari 2025.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht binnen de gestelde termijn.